Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over Exodus XXI. vs. 16. 41

van hunne heiligfte rechten; want, een groot aantal te onzetten van hunne natuurlijke vrijheid, van hun genoegen en tevredenheid, van hunne gezellige verkeering , van hun ligchaamlijk gemak en welvaart, en van hunne geringe bezitting, behoort wezenlijk tot de blijdfchap van zijne winst. Zijn beroep, als een' man van beezigheid, is , flagtoffers te befchikken voor de laagfle flaavernij, voor het nijpendst gebrek , voor grillige wreedheid, voor ijslèlijke wanhoop, en voor een' geweldigen dood, in dcszelfs onderfcheiden gedaanten. Zijn handel, en bijgevolg zijne winsten, moeten ophouden, ten zij hij voordgaa met het vermeenigvuldigen der menschlijke jammeren. Hij mag zich een Christen noemen, of eon Wrling van Hem, die alomme waar Hij kwam goed deed; doch die beminnelijke naam wordt gefchandvlekt door zijnen handel in menfchen— want deeze past veeleer eenen wilden of afgodendienaar, dan eenen Christen. Het is moogelijk, dat hij in zijn huisgezin, en in de nabuurfchap waar hij woont, door menschlievende daaden lof verdiene; maar, aangemerkt als een Handelaar in menschen, verklaart hij den oorlog aan de waardigheid van zijn eigen geflacht; hij fchendt de wetten zijnes Maakers; en houdt een gedrag , welk hem billijk ten voorwerp ftelt van het uiterfte afgrijC 5 zen. —

Sluiten