Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tn zegen kennen, is zijn naam, en Je verzekering , dat het volkomen daar aan beantwoordt , en de zuivere Ëvangelif'che geest

daarin heerscht, aanbeveeling genoeg. Het beftaat, gelijk

boven uit den Tijtel blijkt, uit twee bijzondere Stukjes. De ftoffe , zoo in het eene als in het andere verhandeld , is van het grootfte aanbelang. En de uitvoering is zoo onvoorbeeldig klaar, overtuigend , uitlokkend en zuiver Evangelisch, als de overige Schriften van dien vvaardigen Man allen zijn.

I. Het eerfte ftukje is eene uitvoerige Verhandeling over Gal. II: 19. Ik ben door de Wet der Wet gefloryen , cpdat ik Gode leeven zoude. Des godvruchtigen Leeraars groote oogmerk in dezelve is te toonen , dat , terwijl fchuldige zondaars , aan den eenen kant, hunne geheele behoudenis aan Gods vrije Genade en de algenoegzaatne Gerechtigheid van Christus, enkel en alleen, toe te fchrijven hebben; zij, aan den anderen kant, de volftrekte noodzaaklijkheid der betrachting van Evangelifche Deugd niet uit ■

het oog moeten verliezen. Na eene zaaklijlte Inleiding, welke

een uitnemend licht over den geheelen Brief aan de Galatiers verfpreidt, en waarin zijn Eerw. den ftaat des verfchils tusfehen paulus en de Joodschgezinde Christenen juist bepaslt , ontvouwt de Heer BOOTH, in zeven Afdeelingen , de volgende zeer geWigtige onderwerpen allerinneemendst: I. IVelke Wet het is, au» welke de Apostel gefloryen was. li. Onherbooren zondaars zijn ger Wet leevendc, aangemerkt als een Verbond. Hl. De geloovigcn zijn der Wet gejlorven , aangemerkt als een Verbond. IV. De Wet bejehouwd, als den gelooyigen gefloryen. V. De gelooyigcn zijn der Wet gejlorven , opdat zij Gode leeven zouden. VI. Sh n moet der Wet, als een Verbond, gejlorven zijn , alyoorens /Tiert Code leeven kan, in eene heilige, en Hem welbehaagende Gehoorzaamheid. En VII. De Wst befchouwd als een Regel van der ge-

'" °ufHe/ TOefde _Ssukia» —-.uitmuntende Leerrede,

ter nagedachtenis^ eener zahggeftorvene jonge Dochter , ANNA WILLIAMS, over 1 Kor. XV: 55-57. Om desChristens Zegepraal over Dood en Graf duidlijk en krachtig voor te (lellen, ontvouwt de Evangelij - Leeraar , volgens aanleiding van den Tekst, l. De msgtige vijanden en kwaaden, van welken de waare Chrijten verlost is , of eenmaal geheel verlost zal worden. 2. Het middel, waar door hij die verlosfing verkrijgt: God geeft de overwinHing door onzen Hetre Jefus Christus. 3. Zijne zegepraal over zijne overwonnen vijanden. En 4. Zijne dankbaarheid aan God , voor die groote weldaad. Deeze bijzonderheden , zaaldijk en ftichtlijk, open gelegd hebbende, toont de Eerw. BOOTH, hoe afkeerig anders ook van de gewoonte van veelen , om bloemen op de graven der Geftorvenen te ftrooijen , dat de oneindige Genade al de hoop en blijdfchap der Overledene in leven en (terven

geweest was. Voorts merkt hij tot leering aan: dat de

dienst van Jefus iets wezenlijks , iets Godlijks is ; en dat

een gevoel onzer onwaardigheid , met een blijmoedig vertrouwen op den Godlijken Veriosfer, en eene hoop der zaligheid, zeer wel beftaan kan. Waarop nog volgen, gemoedelijke ainfpraken aan de zulken — die in de lente hunner jaaren leven, — tot rijper leeftijd

pekomen zijn, of reed* aanmerkelijken ouderdom bereikt

j,euben. Eindelijk is achter dit Stukje, om de zonderlingheid

der zaak, nog gevoegd eene Aanfpraak bij de Begraavenis; welke', gelijk al het overige, wegens haaren ftichtlijken , uitlokkenden

en Evangeüfchen inhoud , ongemeen lezenswaardig is. De

prijs van dit Werkje is ƒ 1: - en bp fdirijfpapier / 1:10: -.

Sluiten