Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

56

Het Meisje

Czaar. « Zwyg!— Ik wil geen tegenfpraak hooren! — Denk niet, dat gy daarom, dewyi ik u myn vertrouwen gefchonken heb, naar goeddunken handelen moogt, u ongeregtigheden en gewei-

dige Happen veroorloven.

Mekzikot. Uw Majefteit. . . .

C z a a It.

Zwyg, zeg ik! Het is altyd de zwakfte

verderflykfte zyde van een Vorst, gunltelingen te hebben. Ik verkies 'er geenen te hebben. Wien het beter bevalt myn gunfteling dan myn vriend te zyn, om daarop te kunnen zondigen, zal van my niet geirraft, hy zal van my getuchtigt worden.

'Menzikoe.

Uw gunfteling te zyn? Neen! naar

deeze geringe eer was ik nooit greetig. De cunlleling van een Vorst te zyn , deeze laagheid heb ik nooit voor een eer, nooit den braaven

man waardig gëacht. Myn Czaar noemde

my zyn vriend; daarop was ik trotsch, dit verhefte myn geest, en hiertoe vereenigden zich

alle de vermogens myner ziel! De beledigde

vriend kon zwygen , de beledigde onteerde man kan het niet doen. Ik eisch niets, dan wat de Czaar den geringften zyner onderdaanen fchuldig is: > , « het recht om my te verdecdigen.

Czaar.

Sluiten