Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—C 323 )—

doen, kwam het tot fiaan en vechten , waarbij de jongde, bij zijne minder derkte, ver te kort fchoot, zodat hij dikwerf met een bebloed hoofd wijken moest; ja uit deze beginzelen zelfs is eene volflagen vijandfchap voordgevloeid , welke , hoe zeer beide Broeders tot rijpe jaaren gekomen zijn, nog voordduurt, en waarfchijnlijk nimmer herdeld zal worden.

Met dat alles, hebben zich de Ouders menigmr.alen verwonderd, van waar deze verregaande verwijdering is voordgevloeid: dan, zij behoeven flechts hunne eigen verkeerde behandeling intezien , en deze zal alle verwondering in befchuldiging moeten veranderen, terwijl dezelve alleen aan eene partijdigheid te wijten is, van welke zij zeiven, bij de koelzinnigheid van den oudden Zoon, de wrange vruchten fmaaken.

*

„ Godvergeten Meisje! wat zal 'er nog van u worden? Heb ik u niet duizendmaal gewaarfchuwd, dat gij zo niet met water, of met asch, of aarde uit den tuin moet morfen? Bezie eens uwe kleederen; gij zijt degrootfte aschpoeder, die 'er leeft: gij zult nog voor fpot en vuilnis langs draat lopen: foei! gij behoordet u te fchaamen, dat gij 'er zo beestachtig uitziet: ik weet niet, of ik u langer voor mijn' Dochter erkennen mag?" — Van dezen aard was de lange boetpredikatie, welke jufvrouw P. dagelijks gewoon was te houden voor haar oudfle

Doch-

Sluiten