Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C 516 )-

de woorden na : dabo _ «bi - tunicam meam"

Kar el deed het ook, en fprak woord voor woord na. „ Nu,'- zeide Edelman: „ trek uwen rok uit; de rok .behoort mij toe."

K. „ Neen, neen , het is mijn rok!"

E., Gij hebt mij beloofd, dat gij mij denzelven zoudt geven."

K. „ Neen, dat hebbe ik niet gedaan."

E. „ Vrienden ! gij hebt het allen gehoord : hij heeft tegen mij gezegd : dabo tibi tunicam meam ; 't geen zeggen wil: „ ik zal u mijnen rok geven."

K. ,, Ja , maar dat heb ik niet geweten; ik verfta geen Fransck."

E. „ Het is geen Fransck, maar Latijn. Ondertusfchen meent gij , dat gij mij uwen rok niet hebt gegeven, omdat gij de woorden niet verftaan hebt?" K. „ Neen , dat hebbe ik ook niet 1" E. „ Dus hebt gij mij niets'gezegd , en ook tegen den lieven God niets gefproken: want of de woorden, welken gij fpreekt , DuitscA of Latijn zijn , dat komt 'er niet op aan ; wanneer gij dezelven niet verftaat , is het altijd om 't even. Wacht u dus in 't vervolg , om iemand woorden natezeggen , welken gij niet begrijpt : gij kunt uwen rofc houden."

K. „ Ik zal het ook niet weêr doen. Maar wanneer ik nu iets tegen onzen lieven Heer zegge , 't geen ik verfta , dan bidde ik toch evenwel?"

Men had nu juist met eten gedaan: de Gouverneur wenkte , dat zij allen zouden opftaan ; zo als

zij

Sluiten