Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C 5«7J—

zij ook deeden. „ Wel nu , lieve Karei!" zeide hij , „ laten wij »u eens hooren , wat gij tegen onzen goeden God te zeggen hebt. Kom, bid nu !"

Dit bevel kwam Ka rel zeer fchielijk en onver-» wacht voor. Hij vouwde echter zijne handen , bedacht zich eene poos , en zeide ten laatften : „ Ik bedanke u , goede God , dat gij mij koek gegeven hebtP

V.

Sluiten