Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-( 5r9 3— '

gen onvermogen voorcifpruit , om iet beter te redenkavelen, de gevolgen ook niet zoo fchaadelijk zouden wezen. Dan; hoe weinig ontzien zich de Ouders, om aan deze hunne verkeerde gewoonte den ruimen teugel te vieren, in tegenwoordigheid hunner Kinderen, zonder ^i-è bezeffen , dat zulke gefprekken misfchien alsdan het allergrootfte kwaad Hichten, wanneer daardoor, gelijk noodwendig volgen moet, het Kinderlijk hart , van zijne goedaardigheid afgeleid, en tot eigenbaatige, agterdochtige, ongezellige, en kwaadaardige beginzelen vervoerd wordt ? — Even nadeelig werkt ook de mishandeling van diereu, welke zich Ouders onbedachtlijk veroorloven. Zoo zeer, in onze dagen , de overdreeven tederhartigheid van hun , die in het dooden van eenig infekt , ik weet niet welke? misdaad ftellen , verdient gelaakt en wederflreefd te worden , even zeer moet, echter , elk nadenkend mensch alle zuike kwellingen en martelingen van dieren te fchuuwen , welke uit een ij del tijdverdrijf, uit een wreed vermaak, of uit eene verkeerde zucht, om daarmede de Jeugd te vervrolijken , haaren oirfprong nemen. Zulk een uiterfte kan, in het kinderlijke hart , niet dan laage denkbeelden van Gods fchepping , en beginzelen van wreedheid vormen , die naderhand ligtlijk van dieren tot menfchen overflaan.

Mijn Heer en Jufvrouw T. behoorden tot dat flag van liede», die, van hunne renten leevende, voornaamlijk hun werk maakten, om al, wat anderen deeden, te befpieden. Ten dien einde bragten zij

hun

Sluiten