Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—( 333 )—

menfchen , flechts zwak zijn kan. Het kind, en de geheel onbefchaafde onwetende wilde , hebben al te weinig aandacht op alles ,. wat hen omringt , en al te weinig verftand, om de natuur der zaken, in derzeiver betrekkingen intezien ; bij hunne zwakke verbeelding» kracht hebben zij ook te weinig gevoeligheid , aandoenlijkheid en fjmpaMe , om niet iegens alles, en dus ook jegens andere menfchen, nog zeer ónverfchillig te blijven; en zich veel meer aan de natuurlijke driften van hun eigen gevoel overtelaten. Met het toenemen der kundigheden en krachten , wordt de behoefte van gezellige verbindtenisfen dringender. De mensch ziet in dezelve zijne behoudenis en vermaak, of gelooft die te zien; en deze ontdekking maakt zoo veel te meer indruk ep hem., hoe nieuwer zij voor hem is, en hoe minder andere middelen voor beiden hem nog bekend ziin. Ailes wordt dus, een geruimèn tijd , aan het gezelfchap en deszelfs belangen opgeofferd eti overgegeven.

Maar deze verbindtenisfen vermeerderen, en wïsfelen af; dit vermindert derzelver waarde. Nog meer gefchiedt dit door de bepaalingen, de ftrijdigheden, de misleidende hoop, die ze fpoedig verzeilen. De mensch begint te denken , hoe hij van het gezelfchap en maatfchappij nu: trekken, dat genieten, en tevens zooveel mogelijk, zich daarvan onafhanglijk kan houden.

De ligtzinnige , die enkel het daaglijksch vermaak najaagt, verflrooit zich .„ de grootfie irch

omdat hij daar het ongebondenst heröm kan zwief« » en dus ontwikkelt hij geen eigen , noch /j -, neemt

Sluiten