Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

~C 144 )~

mensch zoozeer eigen behoort te vezen* Zal hij *.jn hoogfte geluk daarin leeren ftellen , dat hij zijnen Schepper zooveel mooglijk navolgt , en deze sarde helpt gelukkig maaken. Zullen zij beiden in vooripoed demoedig, in tegenfpoed ftandvastig, alWd vertrouwen op Gods beste voorzorg? Zullen zij de deugd alleen betrachten, uit liefde tot God en zijne bevelen? Zullen zij dus, langs dezen weg, deaangeliaame vreugd van den godsdienst gevoelen, waardeeren, «enieten? Zullen zij de leer van Je su s altijd tot een nchtfnoer Hellen hunner gedragingen ? Zuilen zij, op het gezag van haaren Goddelijke-: Stichter alleen, het iiaauwe verband tusfchen deze zinlijke, en. eene volgende, volkomener, fchoon onbekende, waereld zoo paauwkeurig jr. acht nemen, dat hunne oogmerken eu verrichtingen altijd ordenlijk, verftandig, goed, nuttig, weldadig, god en Mensch waardig zullen wezen? — Laat hier de ondervinding fpreken, en zij befpaart ons de moeite van hetgeen wij, niet dan met innige fmart, zouden moeten ternederfchrij-

Doch Iaat ons de zaak nog van eene andere zijde befchouwen. De Mensch is op deze waereld niet befterod, om enkel godvruchc te zijn: hij moet zijne gosdienftige waarde eigenlijk langs eenen anderen weg erlangen; naamlijk, door zijne gewigtige betrekkingen , als Burger van den Staat , als Beftuurder of Lid van een afzonderlijk Huisgezin , en als zijnde zelf de voornaame bron zijner aardfche welvaart; terwijl aan hem ook de bebouwing der aarde is toevertrouwd, om, door het gebruik zijner krachten,

de-

Sluiten