Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

59* i Kor. XV.

aan twee Stamvaders gedagt had, waar van elk zoodanige afkomelingen heeft, als aan de natuur van ieder dier Stamvaders beantwoordt.

§• 150.

Deze laatfte Mam of Stamvader dan, namelijk, onze Heer Jefus Christus, [wordt, of is ge. worden'] tot een levendmakende Geest.

Hier door heeft P. niet kunnen willen zeggen, dat de verheerlijkte Heiland een onlichamelijk (een immaterieel) wezen is geworden; want fchoon hij in den Hemel een verheerlijkt Lichaam, bezit, gelijk te voren gezien is, zoo is en blijft hij nogthans, in dit opzigt, lichamelijk. Laat het zoo zijn, dat het, in den zin, als te voren gezien is, een geeftelijk Lichaam is, waar in hij een Engelagtig, of Bovenengelagtig leven leeft; hij is tog, zoo veel wij weten, een ver. heerlijkt Mensch, en dus lichamelijk gebleven, maar geenszins een onlichamelijke Geest gel worden.

Maar even gelijk ik § 138. bij vs. 44. 0p. merkte, dat het Paulus aan een woord ontbrak waar mede hij een niet-dierlijk Lichaam befchrijven konde; en dat hij daarom gebruik maakte van een woord, dat als het tegengeftelde van dierlijk aangemerkt wordt; fprekende van een geeftelijk Lichaam: Juist zoo fchijnt het hem hier gegaan te zijn. Der Menfchen eerfte Adam was

door