is toegevoegd aan je favorieten.

Gedachten van Jacobus Hinlópen, predikant te Utrecht, over eenige plaatzen en zaken, in de Heilige Schriften voorkomende

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C =55 )

wet, nog fterker ingeprent, met deze woorden: De vreemdeling, die, als vreemdeling, by u verkeert, zal onder u zyn, als een inboorling van u; gy zult hem liefhebben, als uzelven; want gy zyt vreemdelingen geweest, in Egyptenland: (0) Ook wordt er gezegd: Als uw broeder zal verarmd zyn en zyne hand wankelen zal, zoo zult gy hem vast houden, (zelfs) eenen vreemdeling en bywoner, opdat hy by u leve: Den broeder moesten zy dat doen, door hem te leenen, zonder woeker of overwinst van hem te nemen, maar den vreemdeling, door hem op overwinst te geven, (b) In deze onderfcheiding, was geene liefdeloosheid jegens deu vreemden. Eene matige overwinst is, in het leenen, niet onbillyk Zy deden daarmede den vreemden, welke onder hen winst zochten, dienst: doch omtrent hunne broederen, die, 'met hun, bezitters van het land waren, en wier deel in 't jubeljaar telkens tot hen wederkeerde, behoefde en mogt dat niet te gefchicden. Zy mogten ook een vreemdeling in zyn dagloon niet verkorten, noch uitftellen, aan hun het arbeidsloon te geven; hun recht zoo weinig, als het recht van den weezen., buigen. (O God nam hen in zyne befcherming, wanneer zy. onder Israël woonden, zoo zelfs, dat elk erkennen moest, vervloekt te wezen, die het recht des vreemdelings,

des

(a) Levit. xix: 33., 34. Verg. Deut, XI 18, 19. (6) Levit. xxv: 35, 37. Deut. xxni; 19, 20, (c) Deut. xxiv: 14. 15, 17, 18.

R 3