Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rrï 305 )~

Dan, zoude welligt aan veelen hunner, die her. lezen der Ouden zo ruimfchoots aanprijzen , niet genoegzaam bekend zijn, welke tafereelen der fchandelijkfte en beestïchtigfte wellust de opgenoemde Dichters, telkens met de leevendigfte, de gloeiendfte verwen, voor onze verbeelding fchilderen; met welk eenen verleidenden — wat zegge ik . . . toverachtigen fluier, zij, op eenen anderen tijd, het beeld der verachtelijke wellust weten te omfiingeren , en hetzelve dus duizend , duizendmaal vervoerender voor ons ten toon Hellen? - Welke laage verfoeilijke , den redenlijken mensch geheel onwaardige gevoelens en uitfpraken zij hunnen helden der vrolijkheid zo dikwijls in den mond leggen ? I, 'er ooit een boek geweest, hetwelk den Jongeling, in al wat Hbertinaga heet, beter en duidelijker onderwijst, dan Terentius en Plautus op verfcheiden plaatfen ?

Eii ware dit alles! - Neen: mijne pen ziddert; mijne wangen gloeien; een blos van fchaatnte verfpreidt zich over mijn geheel gelaat, en mijne hand weigert, de gruwelen ter neder te fchrijven, waarvan deze zangers der oudheid mij zo menigmaalen hebben doen ijzen!

Heb ik, daar mijn hart dit alles zo fterk en diep gevoelt, heb ik dus ook gegronde reden, om onkundige en te weinig doordenkende Ouders of onoplettende Leermeesters hiervoor te waarfchuwen? _ Mijn oogmerk is geenszins, iemand hierdoor te beleedigen; maar alleen, ware het doenlijk, iets goeds te flichten.

x 5 Even

Sluiten