Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C 476 )-

éZiel! •— U, dien de deugd, de glans van ftoute daden,

Bij 't plengen van een traan, de zoetfte weelde fchcpc! —-' Die vaak dit grensloos ruim, waar 't talloos heir van zonnen

Hun waereld-bollen ftaag rondom een aschpunt (luwt; Daar hun harmonisch lied den drom van hoger Geesten,

Geheel het Englendom verrukt, vervoert, verbaast; (*) V, die des Cherubs fpheer, en 't rijk des magtigen Serapb',

Ja, 't onbeperkt gebied der mooglijkhcên doorzweeft; — U roert, ó zuiver deel van mijn tweevouwig weezen!

In elke wisling, flegt een fijner, cdler drift! Gij wierdt dan niet uit leem — niets zalu ooit ontbinden;

Zo 't niet de almagtge wenk der Godheid zelve zij. Zelfs 't vlugtig fchaduwbeeld, in U, ó ziel! verrezen,

Blijft zuiver, eindloos fijn, geen kracht, die 't fcheiden kan. ' En dus ontzaglijk God ! — ó Bronwel van dit aanzijn!

Moet ook dit Ik — als Gij — onfr.ofli.ik, eeuwig zijn! Voorzeker: — 'k hoor een Mem: uit 't diepst van dezen boezem

Roept zij-mij dondrend toe:— „Gij zijt voor de eeuwigheid !

Daar

(*) Het is eene bekende Helling van verfcheiden Wijsgccren, dat de geduurige ommezwaai der waereldbollen eene zekere bovenaardfche muziek zoude opleveren, waarmede het aandoenlijk oor van verheven weezens zich verlustïge. Dit voor waar of onwaar te keuren, laat ik gaarn aan anderen over; genoeg, indien men het mii nietten kwaasien duidt , datik, bloot als Dichter, ter dezer plaatze van dit denkbeeld gebruik gemaakt hebbe, in navolging van den grooten Klopstock en andere Geniën van den eerften raug, van welken ik het niet ongeoorloofd achte, waar het zijn kan, eenige fchoonheden aftezkn.

Sluiten