Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mystiek terrein zichzelf blijven en dat geloof belijden en die overtuiging blijven aanhangen, waartoe aanleg, gevoel, instinct, gemoed u drijven. Dat lijkt mij het eenig waardige voor een natuuronderzoeker.

Komen wij nu op Prof. Buijtendijk's boekje terug. Wat ik daarin toejuich is de onbevangen wijze waarop hij voor zijn eigen theïstische overtuiging en christelijk geloof uitkomt. Wat ik er in afkeur, is de wijze waarop hij zijn godsdienstige overtuiging laat inspringen, daar waar onze tegenwoordige kennis te kort schiet; voorts de wijze waarop hij overeenstemming wil vinden tusschen christelijken godsdienst en natuurwetenschap, en uit de gegevens van deze steun zoekt voor de christelijke natuur- en wereldbeschouwing. Twee voorbeelden. Aan het eind van het hoofdstuk over de graanverzamelende mieren leest men: „Het blijft een feit, dat we hier met een zeer hoogstaande samenwerking van de individuen van een kolonie te doen hebben, waarbij elk individu zijn taak verricht zonder overste, zonder ambtsman, zonder heerscher, een wijsheid ten toon spreidende, die niet het product is van eigen verstand, maar zijn oorsprong vindt in den Schepper, die deze kleine wereld zoo harmonisch deed ontstaan." Hier zij zonder oneerbiedige bedoeling opgemerkt, dat de Schepper er met de haren bijgehaald wordt. Tevergeefs zoekt men natuurlijk in het geheele boekje van Prof. Buijtendijk of van wien ook, een bewijs, dat de mierenstaten het product zijn van een creatieve daad, en niet bijv. veeleer ontstaan zouden zijn langs den geleidelijken weg eener emanatieve involutie van het Goddelijke in de Materie.

Een ander voorbeeld. „Het denkbeeld, zooals het door het Christendom beleden wordt, dat God voor de geheele natuur ééne enkele harmonische doelmatigheid heeft ingesteld, welke wij wel niet kennen, maar welke wij aan talrijke verschijnselen in hun harmonischen samenhang kunnen waarnemen, is ongetwijfeld eene beschouwing, welke in hooge mate overeenstemt met de feiten der natuurwetenschap." Deze uitspraak is misleidend. De objectief beschouwde feiten welke de natuurwetenschap leert kennen, hebben noch doelmatigheid noch harmonie. Doel en samenhang worden in de feiten gelegd door aprioristisch redeneerende menschen en wel door een ieder naar zijn smaak en voorkeur. De bijzondere feiten waaraan Prof. Buij-

Sluiten