Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

migheid in de nieuwe iconographie worden opgenomen, beantwoorden aan de nieuwe leerstellige bedoelingen. In de Klein-Aziatische Jupiter-diensten zijn Zon-en-maan naast de goden afgebeeld, wijl zij symbolen zijn in eene Helios-theologie.

In de oude Babylonische cosmogonieën was de Kosmos een dubbelwezen, bestaande uit een feillooze ideeële wereld en hare reflectie in de grof-zinnelijke wereld, waarin onze lichamen leven. In de Hellenistische wereldbeschouwingen is dezelfde wereldvisie, zij het na eeuwenlange logische verdieping en wijsgeerige transformatiën, gereproduceerd. En in Mani's leer, èn in het Hellenisme der eerste eeuw is de gnostische leer van den Dubbel-cosmos als religie teruggekeerd. De machten die de „ideeënwereld" beheerschen, deze „eeuwige goden" zooals ook Plato *) ze genoemd had, worden beheerscht door eene godheid, die in de Zon wordt vereerd. Onze vergankelijke, wisselvallige, sublunaire wereld door eene macht, die in de Maan aanbeden wordt.

De Zon is zinnebeeld en verzinnelijking eener „intelligibele zon" in de wereld der ideeën, ziedaar het laatste religieuze woord in de Grieksche wijsheid. Van Plutarchus af tot Philo Alexandrinus toe, keert het onophoudelijk weer2). In deze

*) Timaeus 37 C.

2) „tdv" yÜQ qn]6iv „ó tfXtos" (Gen. 28, li) ovx ó (paivó/ifvos oi'TOs"! ctXXa xö rov aoQaxov xai /isyCOxov Ofov itt Quptyytöxaxov xai mqiavyiGxaxov qpfe>$, xovO' oxav /itv tniXd/ityti (fiavota, xa dsvxtQa Xóyaiv tfvtrai tytyyif noXv rft fidkkov ói aioOr\xoï xótioi navxsq imGY.ióX,ovxai . . .

(Philo Alex de sommiis I, 72, in „Opera quae supersunt" vol. III ed. P. Wendland).

. . . oi [ifv 7toAXoi xojv nQoytvtöxtQixiv tva xai xöv avxöv ijyovvxo Otbv 'A*zóXX(oi>a xai 'ilkiov' oi öi xiiv xa^jv xai (Jocpiiv tjtiöxdfitvoi xai xifiotv

avakoyiav, ötttq Gwfia nqö^ tpvxqv, ötyiq dï riQÖq vovv, (piaq dï ngog (iXi'iOtiav iöxi, xovxo xï\v ijXiov dvvafiiv cixa£oi> tivai 71 qö$ xijv AnóXr Xiovos (pvöiv, exyovov fxtCvov xai tóxor, övxwq a«i yivó/itvov, ati xovxov ct7io<paivovxtis . . .

Plutarchus Chaeronensis, de defectu oraculorum c. 42.

203

Sluiten