Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op het platteland werd vaak een afgedankt koetsier of tuinman met het onderwijs belast. Het salaris van den onderwijzer bestond meestal alleen uit de schoolgelden ; talrijk waren de bijbaantjes, die den onderwijzer werden opgedragen, om hem een redelijk loon te verzekeren. Zoo was hij gewoonlijk ook koster, klokluider, doodgraver, lijkenbidder, dorpsschrijver, enz. Als bewijs hoe hoog men hem aansloeg, kan dienen, dat hij hier en daar als gunst kreeg de tijdens de kerkdienst half afgebrande kaarsen te mogen meenemen voor eigen gebruik.

Over de leermiddelen vinden we : x)

„Men gebruikt gemeenlijk, behalven het A. B. boek, den Heidelbergschen Catechismus, de spreuken Salomons in kleen formaet, ook in quarto, met een ouden Hollandschen druk ter eener, en een soort van schriftdruk ter andere zijde, een Evangelium, zijnde de geschiedenis van het leven des Heilands, voorts verscheiden bijbelsche Historiën in quarto-formaet, als daer is van Jozef, David, Jonas, en anderen. Een schriftuurlijk schoolboek, bestaende in een aantal Schriftuurplaetsen, in eene orde naar de letteren van ons A.B. met Hollandsche, Romeinsche en Schrift-letteren gedrukt. Voorts eenige brieven in een boek, genaemd de Zendbrief, met een soort van moeijelijke oude Schrift-letteren gedrukt.

Nog een geslachtboekje, behelzende de geslachten van Adam tot op den Heere Christus, door P. Bakker, met eene Romeinsche letter. De Courant, ook wel de Postrijder, en eertijds, ook bij sommigen nu nog, eenige oude Brieven, Huurcedullen, Overdragten, enz. met zeer moeijelijk schrift, dat in de vorige eeuw gebruikt wierd. Voeg hier bij twee of drie Spellenboeken, waarvan bij dezen dit, bij een ander weder een ander in gebruik is. Ziedaar de voornaamste boeken in onze nederlandsche scholen in gebruik.

De schoolgebouwen, zoo wordt ons beschreven, waren laag van verdieping, met enkele kleine ramen, welker glasruiten hier en daar door papier of een gebroken lei vervangen waren. Van ventilatie was geen sprake; er waren steenen vloeren, en meestal zaten de kinderen in de lokalen ,,op elkander gepakt". Langs de muren waren spijkers geslagen, waar de kinderen hun jassen en petjes ophingen, voorzooverre ze deze laatste niet ophielden.

De tucht in de scholen was ruw en hard. Van de „straftuigen : bullepeezen, leederen riemen, rottingen, stevige stok en de plak werd veel gebruik gemaakt. Een tijdgenoot, D. C. v. Voorst, predikant te Cadzand, waarschuwt tegen een onvoorzichtig gebruik : „Eene onvoorziene slag tegen het hoofd kan ras den dood aanbrengen".

x) Bij K. v. d. Palm in zijn antwoord op bovengenoemde prijsvraag.

Sluiten