Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den — een heele som in dien tijd — voor dit doel uitgetrokken. Niet lang was men tevreden met alleen maar herhalingsscholen ; al spoedig werden op deze cursussen verschillende practische vakken onderwezen als landbouw, teekenen, meetkunde, enz., waaruit de afzonderlijke landbouwcursussen, avondteekenscholen, enz. ontstonden, zooals het Nut er ook nu nog in tal van departementen exploiteert.

Wij spraken boven reeds over het groote strijdpunt dier dagen : de vrijheid van onderwijs. Bij de grondwetsherziening van 1848 werd dit beginsel in onze wetgeving opgenomen ; daarmee was bepaald, dat men om een school op te richten geen goedkeuring meer behoefde te vragen aan gemeentelijke of provinciale autoriteiten : het onderwijs was vrij geworden behoudens het toezicht van de overheid op de bekwaamheid en de zedelijkheid van den onderwijzer.

In het Nut is de vrijheid van onderwijs natuurlijk aan de orde geweest en op merkwaardige wijze vervlochten met een aanverwante kwestie.

De wet van 1806, kende zooals reeds gezegd werd, bijzondere scholen van de ie klasse (scholen van gestichten, Nutsscholen, enz) en van de 2e klasse (scholen van particulieren, alleen in stand gehouden door de schoolgelden). Deze scholen van de 2e klasse stonden over het algemeen in inrichting, behuizing en onderwijsresultaten ver achter bij de openbare scholen en de bijzondere scholen der ie klasse. Op de Algemeene vergadering van 1846 werd in verband met deze zaak het voorstel aangenomen van het departement Zwolle, om een onderzoek in te stellen naar de wenschelijkheid, om alle bijzondere scholen, maar vooral die van de 2e klasse, tot openbare scholen te maken. De bedoeling was te komen tot een algemeene openbare volksschool met uitsluiting van vrijwel alle bijzonder onderwijs. Het onderzoek van dit belangrijk vraagpunt in de Nutskringen werd door de besluiten in de volksvertegenwoordiging ingehaald. Het doel de bijzondere scholen, vooral die der 2e klasse, door openbare te doen vervangen, was, met het oog op de herziening van de Grondwet, waarbij de vrijheid van onderwijs werd verleend, niet meer te bereiken. Een commissie ad hoe verklaarde op de Algemeene vergadering in 1849 :

Vroeger wenschten èn de Algemeene Vergadering èn het hoofdbestuur èn de commissie, dat het onderwijs in openbare scholen allengs regel mogt worden, om het onderwijs in bijzondere scholen alleen als uitzondering toe te laten. Onder de vorige wetsbepalingen was zulks alleszins mogelijk. Maar de nieuwe grondwet heeft, in hare bepalingen ten aanzien der vrijheid van onderwijs, de zaak als 't ware omgekeerd, en de bijzondere onderneming op de voorgrond gesteld. Over die maatregel kan men verschillend oordeelen, maar men moet er zich aan onderwerpen.

7

Sluiten