is toegevoegd aan uw favorieten.

1784 - 1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat het vakonderwijs betreft, werd besloten modelcursussen op te richten, die den staat tot voorbeeld kunnen strekken bij de te verwachten regeling van het vakonderwijs. Wat het hooger onderwijs betreft, werd besloten, dat naar het voorbeeld der reeds bestaande overal, waar hiervoor gelegenheid zou zijn, cursussen zouden worden opgericht van hooger onderwijs buiten de universiteiten. Om te voorzien in de kosten, die de uitwerking van deze plannen zou meebrengen, werd een Nieuwenhuyzen-/W?,4 voor onderwijó gesticht ; de arbeid werd opgedragen aan een daartoe ingestelde commissie : de Nutócommióóie voor onderwijl.

Op 14 September 1906 werd deze commissie geïnstalleerd. Ze bestond toen uit :

Dr. D. Bos, voorzitter ; Dr. H. F. R. Hubrecht, 2de voorzitter ; L. C. T. Bigot, Prof. Dr. A. G. van Hamel, Joha W. A. Naber, Th. Nolen, Herman Snijders, Mr. M. Tydeman Jr., Kl. de Vries Sz.

Na het overlijden van Dr. D. Bos werd het voorzitterschap waargenomen door Dr. Hubrecht ; thans is voorzitter Prof. Ph. Kohnstamm.

Als secretaris fungeerde steeds de algemeene secretaris van het Nut, achtereenvolgensJ. Bruinwold Riedel, H. P.J. bloemersenj. Hovens Greve. Wat het Nut in de volgende jaren op het gebied van het onderwijs deed, geschiedde door of na raadpleging met deze Nutscommissie voor onderwijs.

De werkzaamheden van de commissie, in zake het Hooger Onderwijl bestonden aanvankelijk in het stichten en subsidiëeren van cursussen voor, wat men gewoonlijk noemde, University Extension, waarover vroeger reeds gesproken is. Later is deze arbeid voortgezet door de allerwege opgerichte Volksuniversiteiten. Zoowel ten opzichte van het hooger onderwijs als ten opzichte van de opleiding der onderwijzers is het werk der Nutscommissie voortgezet in het bijzonder hoogleeraarschap in Paedagogiek aan de Gemeentelijke Universiteit in Amsterdam en het daaraan verbonden Nutsseminarie voor Paedagogiek, waarover de lezer elders wordt ingelicht.

Op het gebied van het Vakonderwijó heeft de commissie meegewerkt tot oprichting van een groot aantal teeken- en andere scholen. De wettelijke regeling van het vakonderwijs, de z.g. Nijverheids-onderwijs-wet, heeft het Nut van de zorg voor deze scholen ontheven.

Wat het Lager Onderwijó aangaat, heeft het Nut vaak in samenwerking met Volksonderwijs, N.O.G., en Bond van Nederlandsche Onderwijzers getracht de versnippering in kleine schooltjes, vooral ten plattelande te keeren. Tot oprichting van bijzondere Nutsscholen kon slechts op enkele plaatsen worden meegewerkt, omdat zulk een school de openbare scholen ,n de gemeente of in de nabijheid daarvan nog meer zou leeghalen en in hun verdere ontwikkeling belemmeren. Jaarlijks werden op tal van plaatsen