Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Medici Ficino niet in den steek. Tot Giuliano, Lorenzo's zoon, wendde hij zich reeds den 15den April 1492, dus zeer kort na Lorenzo's dood, in het vertrouwen dat deze nu zijn patroon zou willen zijn.1 Voor zoover het hem mogelijk was, heeft deze inderdaad Ficino gesteund. Kort te voren waren diens financieele omstandigheden weder alles behalve rooskleurig geworden. Aan Bernardo Dovizi (Bibbiena) den secretaris van Lorenzo, had hij gevraagd hem financieel te steunen. Hij herinnerde hem er aan, dat zoovele leeraren en geleerden met toelagen van staatswege werden gesteund, zelfs buitenlanders, en dat Florence in dit opzicht een eereplaats innam. Voor zichzelven had hij nimmer iets willen vragen. Maar, zijn omstandigheden waren benard. In Careggi, waarheen hij was gevlucht voor de vele bezoeken van vrienden, die hem van het werk afhielden, konden schuldeischers met hun onbeschaamd optreden hem blijkbaar wel vinden en belastinggaarders maakten het hem uiterst lastig, zoodat hij er opgewonden en ziek van werd. De schenking door Giuliano van de prebende van San Marco heeft hem echter uit den nood gered.1 Ficino miste veel aan Lorenzo. De feestelijke Symposia, op Plato's verjaardag op vorstelijke wijze gevierd, en door de plechtige riten en discussies langdurig nawerkend in het gemoed; de vroolijke samenkomsten in „Het viooltje en „De nachtclub , of hoe al de door den onvermoeiden Lorenzo telkens weer opgezette literaire samenkomsten heeten mochten; het zoete lierspel, waarbij de zang van Antonius den serafijn van San Miniato zoo heerlijk klonk; de hartelijke belangstelling, die Lorenzo telkens weer voor den tweeden Plato te Careggi toonde, het was alles voorbij.3 Lorenzos dood bracht Ficino nog een tweede verlies: zijn vriend Pierleone, de lijfarts van Lorenzo, voelde zich door te laat ingrijpen en slechte diagnose schuldig

„ex agro Caregio")'. „Legisti apud Hesiodum (ut arbitror) triginta bcncficorum daemonum millia per aerem sublimen humana curare.... apud homines principes post obitum ad rectores eiusmodi commigrare, quasi collegas eorum posthac in humana gubernatione futuros." De „portenta worden hier genoemd, tonitrus, fulmina, flammae, machinarum ruinae, oracula, somnia... „Quod et nunc in morte Laurentii magni propemodum divi, Florentiae fuit universo ferme populo manifestum."

1 Cf. bovenaangehaalde brief O.O. I, 930. sq. .

2 „Recepi me nuper in secessum montis Vecchii ne frequentes amicorum salutationes praesens hoe meum, cui totum nunc incumbo Dionysiacum opus mterpellarent.At vero quod longe molestius est, non interpellant quidem me amici mei, quos iam desidero, sed interturbant quotidie exactores improbi et vexant, ut verius dixerim extortores, post decimas illas mox studii Pisani nomine, Florentinum hominem certe studiosissimum a divino circa Dionysium studio separantes" (aan B. Dovizi, O.O. I, 912, sq.)

3 Cf. O.O. I, 917, 927.

Sluiten