Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Na het heengaan van Lorenzo, Pico en Poliziano bleef Ficino vrij eenzaam achter. De jongeren, Bembó en Phoebus Capella in Venetië, bleven hem trouw. De buitenlanders kwamen en gingen. Doch de Academie had zijn glorie verloren. Samenkomsten zijn er waarschijnlijk weinig meer gehouden en Symposia waren tijdens het bewind van Savonarola niet mogelijk. Ficino's invloed in Italië hield echter met zijn dood in 1499 niet op. Volgens Ferri heeft de Academie drie perioden in haar bestaan gekend. Hij spreekt van een „derde periode", die van „omvorming en verval", van 1499-1527.1 Deze geheele indeeling van de historie der Academie berust op de dwaling, dat Ficino's schepping een geleerd genootschap is geweest, dat slechts van president verwisselde. De samenkomsten, die na Ficino's dood werden gehouden en waarop verscheidene vrienden van Ficino verschenen, zijn echter in geen enkel opzicht als voortzetting der Plato-academie te beschouwen. Geheel los daarvan begon in 1502 de belangstelling voor Plato te Florence weder op te leven. Francesco Diacceto,2 Ficino's bekwame en geliefde leerling, hield een reeks openbare lezingen over Plato. Hij was geboren in 1466 en al zeer vroeg leerling van Ficino. Als commentator van Plato heeft hij zeker eenige beteekenis, maar voor de Renaissance des Christendoms heeft hij zich zeer weinig geïnteresseerd. In 1502 werd hij hoogleeraar in de Platonische wijsbegeerte aan de Studio. Geen enkel gegeven bezitten wij, waaruit zou blijken dat Diacceto, na de monoloog van het college ook de dialoog in een soort „Academie" beoefende. Zijn invloed is niet groot geweest. Inderdaad „week de in Ficino herleefde Plato ten tweeden male naar de Elysische velden". Het doel van Ficino was geweest: Plato te doen herleven, geestelijke opbouw en verdieping te geven aan de hoorders, zijn eigen gedachten over een wijsgeerig geïnterpreteerd Christendom te verbreiden en de toepassing daarvan aan te wijzen op de ideëele terreinen van het geloofsleven, de literatuur en de kunst. Deze idealen waren met Ficino niet gestorven, doch zij leefden slechts ten deele in den kring die in het begin der 16e eeuw te Florence ontstond. In de tuinen van Rucellai (de „Orti Oricellari") kwamen op ongeregelde tijden bijeen: Francesco Diacceto,

1 Ferri, o.c., p. 228, etc.

2 Voor Francesco Cattanei Diacceto (1466-16 Nov. 1522) zie: Francisci Catanei Diaccetii Opera Omnia, Basil., 1563, fol. (apud Henricum Pernam = Petrum!). De „Vita" voorin is door Euphrosinus Lapinius geschreven. Zie voor Diacceto ook Corsi, par. XXI. Diacceto verdedigde Ficino overal, ook tegenover Pico, met wien Ficino op verschillende punten van inzicht verschilde. Brieven van Ficino aan Diacceto: O.O., I, 945 (d.d. 27 Sept. 1492) en p. 952 (d.d. 11 Juli 1493).

Sluiten