is toegevoegd aan uw favorieten.

Het ontstaan, streven en einddoel der vrijmetselarij. Met 333 citaten en 9 facs.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OUDE GESCHIEDENIS DE BOUWGILDEN

Dr. Jean Théophile Desaguliers, zoon van een uit Frankrijk gevlucht Calvinistisch predikant'), stond met dr. James Anderson, een Anglicaansch predikant, en George Payne, een geschiedkundige, volgens de meeste schrijvers, aan het hoofd der groep eereleden van vier Londensche metselaarsgilden, die in 1717 deze vier gilden tot een verbond wisten te vereenigen onder den naam „Groot-loge van Vrije Metselaren."

Hiermede was de grondslag tot de moderne Vrijmetselarij gelegd.

• *

*

De vraag, die zich allereerst voordoet, js: hoe konden beoefenaren van gansch andere beroepen dan het handwerk bestaande ambachtsgilden zoo geheel aan hunne bestemming onttrekken en in eene volslagen afwijkende richting stellen ? Om dit duidelijk te maken, is het noodig een eindweegs terug te gaan. In de middeleeuwen, toen het kunstambacht bloeide, en de adel de heerschende kaste vormde, bestond er tusschen beiden een goede verstandhouding. Vele edelen stelden er prijs op, hun steun aan een kunsthandwerk te verleenen, en de giidebroeders aanvaardden gaarne de bescherming van zoo machtige en invloedrijke personen. Zoo kwam het, dat meerdere gilden, hoewel met jaloersche zorg alle niet-vakgenooten uitsluitend, voor de edelen een uitzondering maakten en in lateren tijd hen zelfs als lid aannamen (accepted) op den voet als in sommige onzer hedendaagsche vakvereenigingen der XXstq eeuw personen, die zich voor de organisatie bijzonder verdienstelijk hebben gemaakt, ook wel benoemd worden als „lid van verdienste, met gelijke rechten als gewoon lid." Zoo werd In de Schotsche loge „Maria-kapel" te Edinburgh een lord Alexander omstreeks 1634 als lid aangenomen. *) •

Het woord „loge" had toentertijd niet de beteekenis, die we er nu aan hechten onder het opzicht van het vereenigingsleven. Gelijk het woord thans nog in de bouwkunst leeft als aanduidende het bepaald onderdeel van een voornaam gebouw, heette in sommige landen de directie-keet op het bouwterrein „loge"; en in Engeland droegen daarnaar de plaatsen van bijeenkomst der georganiseerde bouwvakarbeiders vaak dienzelfden naam. Een „metselaars-loge" was dus een eigen of gehuurd gildehuis of lokaal van het betrokken ambacht. „To be lodged" beteekent in het Engelseh nog: te zijn gehuisvest. Hoe nu komt men aan den naam van V r ij metselaars ?

Ook dit is zeer eenvoudig en natuurlijk.

Van den aanvang af valt bij het bouwvak een tweeledige arbeid te onderscheiden: er zijn mpnschen, die het ruwe werk moeten doen: grond graven, steenen dragen, steenkappen, mortel mengen enz., er zijn er ook, wien heel

') Volgen» Begemann een natuurkenner (Dit Tempelherrn und die Freimattrer, Vorwort, p. V.) ') Geschiedenis der Vrijmetselarij, Findel, p. 110.