is toegevoegd aan uw favorieten.

Het geestelijk rituaal der vrijmetselaren onder het Groot-Oosten der Nederlanden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

D. Opening en Sluiting der Loge.

De opening en sluiting in de beide eerste graden zijn nagenoeg gelijk; slechts enkele kleine verschillen komen voor. Ze kunnen dan ook tegelijkertijd worden behandeld, terwijl de opening en sluiting in den derden graad sterk van de beide eerste afwijken en een afzonderlijke bespreking vereischen.

Volgens het rituaal van 1820 zijn opening en sluiting van zeer hoog geestelijk gehalte (hetgeen in 1865 blijkbaar volstrekt niet is onderkend), zijn ze van een strakke, volkomen systematische schoonheid en verhevenheid, uitdrukkende het geheel van het rituaal maar in verbergende taal, in een exoterisch kleed dat in 1865 blijkbaar voor de innerlijkheid zelf is aangezien.

E. Opening en sluiting in de beide eerste graden.

De opening vangt aan met een drietal vragen omtrent onze gezindheid. Men dient daarbij wel te bedenken, dat de vragen uit het Oosten komen en van uit het Westen worden beantwoord d. w. z. dat de vragen worden gesteld door het hoogste principe in den mensch en worden beantwoord door de menschelijke ziel, die aan de aarde is gekluisterd, door de Opzz.\ in ons.

De eerste vraag is aan den eersten Opz.\ gericht en luidt: „Zijt gij Ll.\ V.\M.\?" en het antwoord is natuurlijk niet „ja", maar het luidt: „Alle mijne Bbr.\ erkennen mij daarvoor". Dit schijnbaar ontwijkende antwoord wil zeggen, dat op aarde de eerste Opz.\ in ons als V.-.M.\ wordt erkend, dat ook hij een hooger principe in vergelijking met het aardsche voorstelt doch dat dit principe het volle V.-.M.'.schap niet heeft bereikt. In Hfdst. III F blz. 53 kom ik hierop nog terug in verband met tweeden en derden graad.

De tweede vraag, aan den tweeden Opz.\ gericht, doet onderzoek naar het gedekt zijn van de Loge en exoterisch schijnt het alsof men zich tegen luistervinken wil beveiligen;