is toegevoegd aan uw favorieten.

Bijdragen uit de geschiedenis der vrijmetselarij

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tweede helft van de negentiende eeuw ontstond in weerklank op de toenemende kritische kennis op andere gebieden. De oude overleveringen van de Vrijmetselarij werden nauwkeurig onderzocht in het licht van de authentieke verslagen welke binnen het bereik van den geschiedschrijver waren. Er werden uitgebreide nasporingen gedaan in de notulen der Loges, in allerlei bescheiden welke handelen over vroegere en tegenwoordige Vrijmetselarij, in gemeentelijke en stedelijke verslagen, in wetsbepalingen en gerechtelijke verordeningen. Op dit gebied zijn alle Vrijmetselaren zeer veel verschuldigd aan: R. F. Gould, den grooten Ma<jonnieken geschiedschrijver; W. J. Hughan; G. W. Speth; David Murray-Lyon, den geschiedschrijver der Schotsche Vrijmetselarij; Dr. Chetwode Crawley, wiens werk over de oudste Iersche Vrijmetselarij in haar soort als klassiek is aan te merken, en anderen van den „Inner Circle" van de vermaarde Loge Quatuor Covonati, No. 2076, welker boeiende „Handelingen" een rijke mijn van historische en archaeologische kennis vormen. In Duitschland zijn twee groote namen: J. G. Findel, de historicus, en Dr. Wilhelm Begemann, die de meest nauwgezette en ijverige nasporingen deed in de Oude Plichten der werkvrijmetselaars. Een aanzienlijke hoeveelheid materiaal, dat van blijvende waarde zal zijn voor de bestudeerders van onze Vrijmetselarij, is ter beschikking gekomen door den arbeid der geleerden van de Authentieke School.

Deze school heeft echter beperkingen, welke het gevolg zijn juist van haar wijze van werken. In een zoo geheime vereeniging als de Vrijmetselarij moet er vanzelf veel zijn dat nooit opgeschreven doch alleen mondeling in de Loges overgebracht werd, zoodat documenten en verslagen slechts van gedeeltelijke waarde zijn. De geschreven verslagen der bespiegelende