is toegevoegd aan uw favorieten.

Bijdragen uit de geschiedenis der vrijmetselarij

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze regel werd in 1725 ingetrokken, toen de GrootLoge bepaalde: „De Meester van elke Loge kan, met instemming van zijn Opzieners en de Meerderheid der Broeders-Meesters, naar eigen verkiezing Meesters maken."1) In ditzelfde jaar wordt melding gemaakt van drie graden in de werkwijze van de „Grand Lodge of All England" te York, toen een toespraak werd gehouden door Dr. Francis Drake, Tweede GrootOpziener, waarin hij L., Gez. en M. noemt. R. F. Gould houdt het er voor, dat het „Leerlings-Deel bestond uit wat wij nu kennen als den 1° en 2°, en dat het Meester-Deel" onze 3° was, waarin begrepen de legende van Hiram.2)

Hij beschouwt het als buiten kijf uitgemaakt:

„Niet alleen, dat wat wij thans den Derden Graad noemen, vóór de periode der Groot-Loges bestond, maar ook, dat, na een lang tijdperk van verval, de symbolen er van waren bedorven en hun bedoeling grootendeels vergeten, toen de graad zelve (in dien tijd bekend als het „Meester-Deel") voor het eerst ondubbelzinnig vermeld werd in alle schrift- of drukwerken waaraan een datum is toe te kennen (1723)."3) Het lijkt waarschijnlijk, dat de oorspronkelijke werkwijzen samengedrongen zijn geworden in twee graden, en de later gevolgde verdeeling in drie graden kan wel een herschikking van de stof geweest zijn, in overeenstemming met de oude overlevering. Bewijzen voor het werken in drie graden van Vrijmetselarij komen reeds in 1725 in Londen voor in de Transactions of the Philo-Musicae et Architecturae Societas, waarin eenige broeders vermeld worden als „op regelmatige wijze tot Meesters bevorderd", „op regelmatige wijze tot Gezellen bevorderd" en „op regelmatige wijze tot

!) A. Q. C., XVI, blz. 38.

3) Idem, XVI, blz. 36.

8) Gould: Beknopte Geschiedenis der Vrijmetselarij, blz. 261.