is toegevoegd aan uw favorieten.

Hoe zullen wij Christus kennen bij zijn komst ?

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zocals wij dus van den morgen tot den avond aan onze ■grofstoffelijke lichamen gebonden zijn door onze dagelijksche werkzaamheden, zoo is de Christus in de aarde opgesloten vanaf den herfst tot aan de lente dag- en nachtevening, het tijdperk waarin de stoffelijke activiteit grootendeels stilstaat, maar geestelijke inspanning de beste resultaten afwerpt. En evenals wij 's nachts van onze lichamen bevrijd zijn en de onzichtbare werelden betreden, om ons te herstellen van de (voor den geest) neerdrukkende omstandigheden van het stoffelijk bestaan, zoo is ook de Christus tijdelijk van de aarde verlost bij de kruisiging, wanneer wij de zon den hemelschen equator zien „kruisen" en naar de hooge hemelen opstijgen. ,

Daarom is dit het tijdstip, waarop wij den geestelijken impuls voelen afnemen, en al onze energie gaan wijden aan materieele werkzaamheden, zooals het omploegen van den bodem en het laten groeien van twee grassprietjes, waar er tevoren slechts één groeide.

Volgens de geijkte opvatting van dit onderwerp voltooide Christus Zijn Offer op Gogotha: inderdaad was dat slechts het begin. Hij is nog aan de aarde gebonden, zooals wij dit zijn aan onze „Sterfelijke Lichamen." Hij lijdt evenals wij lijden, maar met een intensiteit, waarvan wij geen begrip hebben. Hij is nog altijd: „steunend en zwoegend, in afwachting van de openbaring der Kinderen Gods", waarmee wij zelf bedoeld worden. Zoodra een voldoend aantal menschen de geboorte van den Christus van binnen hebben «rvaren, zoodat zij hun broeders lasten kunnen dragen en hun leven kunnen geven, zooals Christus thans het Zijne geeft, dan zal het uur der bevrijding slaan en zal Christus blijvend naar de Zon terugkeeren. Maar evenals Hij de Aarde aan den omtrek binnentrad, toen Hij kwam, zoo moet Hij volgens de zoo even verklaarde wet opnieuw naar de oppervlakte der aai*de terugkeeren en dit beteekent eigenlijk de Wederkomst van Christus.

Er is in den Bijbel geen beslister waarschuwing dan die, door Christus gegeven, tegen hen die aanspraak maken op den naam van Christus. Hij verklaarde, dat sommigen teekenen en wonderen zouden verrichten, die de uitver-