is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1205. Dat de Jebusiet, de Emoriet, de Girgaschiet, de Chiviet, de Arkiet, de Siniet, de Arvadiet, de Zemariet, en de Chamathiet even zoovele natiën waren, en dat door hen ook even zoovele afgoderijen worden aangeduid, en dat afgoderijen door deze natiën worden aangeduid, blijkt uit .vele plaatsen in het Woord; want zij waren inwoners van het land Kanaan, die vanwege de afgoderijen verworpen en voor een deel uitgeroeid zijn; maar in den innerlijken zin worden niet deze natiën aangeduid, maar de afgoderijen zelf, in het algemeen bij allen, waar zij zich bevinden, en in het bijzonder bij de Joden; want zij, die den godsdienst alleen in de uiterlijke dingen stellen, en in het geheel niets van de innerlijke dingen weten willen, en wanneer zij daarin onderwezen worden, deze verwerpen, zijn tot al deze afgoderijen zeer licht geneigd, zooals ten duidelijkste bij de Joden blijkt. In den innerlijken godsdienst alleen is de band, die den mensch van de afgoderij afhoudt, en wanneer die band breekt, is er niets meer dat hem daarvan terughoudt. Doch de afgoderijen zijn niet alleen uiterlijk, maar ook innerlijk. In de uiterlijke afgoderijen storten zich diegenen, die een uiterlijken godsdienst zonder den innerlijken hebben; in de innerlijke afgoderijen storten zi°h diegenen, die een uiterlijken godsdienst hebben, waarvan de innerlijke dingen verdorven zijn; zulke afgoderijen worden desgelijks door deze natiën aangeduid. De innerlijke afgoderijen zijn even zoovele valschheden en begeerten, welke zij liefhebben, aanbidden, en welke aldus de plaats innemen van de goden en afgoden, die bij de natiën waren. Doch het zou te ver voeren, om hier uiteen te zetten, welke de valschheden en de begeerten waren, die worden aangebeden, en door deze natiën, namelijk door den Jebusiet, den Emoriet, den Girgaschiet, den Ghiviet, den Arkiet, den Siniet, den Arvadiet, den Zemariet en den Chamathiet worden aangeduid; hierover zal, door des Heeren Goddelijke Barmhartigheid, ter plaatse waar die namen voorkomen, gehandeld worden.

1206. Dat de woorden: „daarna zijn de familiën der Kanaanieten verspreid" beteekenen, dat de overige daarvan afstammen, is duidelijk zonder verklaring.

1207. Vers 19. En de grens der Kanaanieten was van Aidon, daar gij gaat naar Gerar tot Assa toe; daar