is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hart den Heer erkennen, kan uit de beteekenis van den zegen blijken, namelijk dat deze alle dingen in het algemeen en in het bijzonder, welke van den Heer komen, insluit, zoowel die welke goedheden als die welke waarheden zijn, aldus de hemelsche, geestelijke, natuurlijke, wereldsche en lichamelijke dingen, en daar de zegen in universeelen zin al deze dingen omvat, kan in elk der plaatsen uit het verband blijken, wat het zegenen beteekent, want de beteekenis richt zich naar de dingen, waarmede de zegen in verband wordt gebracht. Hieruit blijkt dat de woorden: „Ik zal zegenen, die u zegenen' alle gelukzaligheid beteekenen voor hen, die uit het hart den Heer erkennen, want hier wordt in den innerlijken zin, als gezegd, over den Heer gehandeld; „Jehovah zegenen of „den Heer zegenen" was bij de Ouden een plechtige spreekwijze, zooals in het Woord kan blijken, bijv. bij David: „Zegent God in de vergaderingen, den Heer uit „den springader van Israël" (Psalm 68 : 2()» bij denzelfde: „Zingt Jehovah, zegent Zijnen Naam; boodschapt Zijn „heil van dag tot dag" (Psalm 96 : 2). Bij Daniël: „In „een nachtgezicht werd de verborgenheid geopenbaard, „daarom zegende Daniël den God, der hemelen, en hij „zeide: Gezegend zij de naam dezes Gods van eeuwigheid tot in eeuwigheid, want Zijne is de wijsheid en de „macht" (2 : 19, 20). Aangaande Zacharia en Simeon leest men ook, dat zij God gezegend hebben (Lukas 1 : 64, hfdst. 2 : 28). Hier blijkt duidelijk, wat den Heer zegenen beteekent, namelijk Hem zingen, Zijn heil boodschappen, Zijn wijsheid en macht prediken, aldus den Heer uit het hart belijden en bekennen; zij, die dit doen, moeten noodwendig door den Heer gezegend worden, dat wil zeggen, begiftigd worden met de dingen, welke tot den zegen behooren, namelijk met het hemelsche, geestelijke, natuurlijke, wereldsche en lichamelijke goede, en dit zijn de goedheden waarin de gelukzaligheid woont, wanneer zij in deze orde op elkander volgen. Daar „Jehovah zegenen" of „den Heer zegenen" en door Jehovah öf den Heer gezegend worden een algemeene uitdrukking was, was het ook een algemeene spreekwijze om te zeggen ,,Gezegend zij Jehovah", zooals bij David: ,,Gezegend zij „Jehovah, want Hij heeft de stem mijner smeekingen „gehoord" (Psalm 28 : 6); bij denzelfde: „Gezegend zij