is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van dit hoofdstuk is aangetoond; hieruit is het duidelijk dat naar Egypte komen beteekent onderwezen worden 148U. Dat de woorden: „en de Egyptenaren zagen de vrouw, dat zij zeer schoon was" beteekenen, dat de wetenschap der erkentenissen in zichzelf veel behagen schept, blijkt uit hetgeen hierboven bij het elfde vers is gezegd, namelijk dat de wetenschap in de knapenjaren van dien aard is; want het is de wetenschap als het ware aangeboren, omdat het den mensch is aangeboren dat zij in het eerste begin behaagt, met geen ander doel dan om te weten; ieder mensch is van dien aard. De geest schept een groot behagen in het weten, zoodat hij nauwelijks iets anders eerder begeert, het is zijn spijs, waardoor iiij onderhouden en verkwikt wordt, zooals de uiterlijke mensch door aardsche spijs; dit voedsel, dat tot zijn geest behoort, wordt aan den uiterlijken mensch medegedeeld, opdat de uiterlijke mensch zich bij den innerlijken zal aanpassen Deze spijzen volgen echter in deze orde op elkander: de hemelsche spijs is al het goede der liefde en der naastenliefde van den Heer; de geestelijke spijs is al het ware des geloofs; van deze spijzen leven de Engelen; hieruit vloeit een spijs voort, die ook hemelsch en geestelijk is, maar van lageren engelenaard; hiervan leven de Engelengeesten; hiervan gaat weer een spijs uit, die nog lager hemelsch en geestelijk is, welke tot de rede behoort en vandaar tot de wetenschap; daarvan leven de goede geesten; in de laatste plaats komt de lichamelijke spijs, welke voor den mensch geëigend is, wanneer hij in het lichaam leeft. Deze spijzen stemmen op wonderlnke wijze met elkander overeen. Hieruit is het ook duidelijk, waarom en hoe de wetenschap in zichzelf behagen schept, want het is daarmede gesteld als met den eetlust en den smaak, waarom dan ook in de wereld der geesten de wetenschappelijke dingen overeenstemmen met het eten bij den mensch, en de begeerte zelf naar wetenschappelijke dingen met den eetlust en den smaak hetgeen uit ondervinding blijkt, waarover, door des Heeren b-oddelijke Barmhartigheid, in hetgeen volgt gehandeld

zal wornpn

1481. Vers 15. En de vorsten van Farao zaqen haar, en prezen haar bij Farao; en de vrouw werd weqgenomen naar het huis van Farao. De vorsten van Farao