is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

orde bij de menschen verscheiden al naar de natuur en den genius van een ieder; maar geen sterveling kent de orde, waardoor de mensch geleid wordt wanneer hij wordt wedergeboren; zelfs de Engelen hebben er niet dan een vage voorstelling van, doch de Heer Alleen weet het.

1555. Dat „van het zuiden uit en tot Bethel toe" beteekent van het licht van het inzicht in het licht van de wijsheid, blijkt uit de beteekenis van het zuiden, zijnde het licht van het inzicht, of wat hetzelfde is, de lichtende staat wat de innerlijke dingen betreft, waarover eerder in nr. 1458 is gehandeld; en uit de beteekenis van Bethel, namelijk dat het het hemelsche licht is, hetwelk zijn oorsprong ontleent aan de erkentenissen, waarover eerder in nr. 1453. Licht van het inzicht heet dat licht, hetwelk door de erkentenissen van de waarheden en goedheden des geloofs wordt verworven; het licht der wijsheid is echter het licht des levens, dat daardoor verworven wordt. Het licht van het inzicht betreft het verstandelijke deel of het verstand, het licht der wijsheid echter het deel van den wil of het leven. Weinigen, zoo al iemand, weten, hoe de mensch tot de ware wijsheid geleid wordt; het inzicht is de wijsheid niet, maar leidt tot de wijsheid, want verstaan wat het ware en het goede is, is niet waar en goed zijn, maar wijs zijn is waar en goed zijn. Yan wijsheid wordt alleen met betrekking tot het leven gesproken, namelijk dat de mensch van dien aard is. In de wijsheid of in het leven wordt men binnengeleid door het weten en het kennen, of door de wetenschappen en de erkentenissen. Bij ieder mensch zijn twee deelen, de wil en het verstand; de wil is het deel dat de eerste plaats inneemt, het verstand het deel, dat de tweede plaats inneemt. Het leven van den mensch na den dood is overeenkomstig het deel van zijn wil en niet overeenkomstig het deel van zijn verstand. De wil van den mensch wordt door den Heer gevormd van de kindsheid af tot de knapenjaren, en dit geschiedt door het ingeven van onschuld en naastenliefde jegens de ouders, voedsters, kinderen van gelijken leeftijd, en door nog andere dingen meer, die de mensch niet weet, en die hemelsche dingen zijn. Wanneer deze hemelsche dingen den mensch niet eerst werden ingegeven, terwijl hij nog een kind en een knaap is, zou hij nooit een mensch kunnen worden. Aldus wordt