is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opgesloten. Hieruit kan blijken, van welken aard de eigenliefde is, ook hieruit, dat zij haat in zich verbergt jegens allen, die zich niet aan haar onderwerpen als knechten, en van wege den haat ook wraakzucht, wreedheden, bedriegerijen en talrijke snoodheden meer. De wederkeerige liefde echter, welke alleen hemelsch is, bestaat hierin, dat men niet alleen zegt, maar ook erkent en gelooft, dat men gansch en al onwaardig is, en dat men iets slechts en vuils is, hetwelk de Heer, uit oneindige Barmhartigheid, voortdurend onttrekt aan en afhoudt van de hel, waarin het zich voortdurend tracht, ja begeert te storten. Dat men dit moet erkennen en gelooven, is omdat het waar is, en niet omdat de Heer of welke Engel dan ook, wil dat men het erkent en gelooft opdat men zich onderwerpe, maar opdat men zich niet verheffe, terwijl men toch van dien aard is, alsof bij voorbeeld drek zou zeggen louter goud te wezen of een drekvlieg, een paradijsvogel te zijn. Voor zooveel derhalve de mensch erkent en gelooft zoo te zijn als hij is, treedt hij terug van de eigenliefde en van hare begeerten, en gruwt hij van zichzelf; voor zooveel dit geschiedt, ontvangt hij van den Heer hemelsche liefde, dat wil zeggen, wederkeerige liefde, welke daarin bestaat, dat hij allen dienen wil. Dezen zijn het, die verstaan worden onder de kleinsten, die in het Rijk des Heeren de grootsten worden, Matth. 20 : 26, 27, 28; Lukas 9 : 46, 47, 48. Hieruit kan blijken, wat den uiterlijken mensch van den innerlijken ontbindt, namelijk hoofdzakelijk de eigenliefde, en dat hetgeen voornamelijk den uiterlijken mensch met den innerlijken vereenigt, de wederkeerige liefde is, welke nooit bestaanbaar is, vooraleer de eigenliefde terugtreedt, want zij zijn geheel en al aan elkander tegenovergesteld. De innerlijke mensch is niets anders dan wederkeerige liefde; de geest zelf van den mensch, of de ziel, is de inwendige mensch, die na den dood leeft en organisch is, want hij was aan het lichaam van den mensch toegevoegd, toen de mensch in de wereld leefde; deze inwendige mensch, of zijn ziel of geest, is niet de innerlijke mensch, maar de innerlijke mensch is in hem, wanneer in hem de wederkeerige liefde is. Hetgeen tot den innerlijken mensch behoort, behoort den Heer toe, zoodat men zeggen kan, dat de innerlijke mensch de Heer is; maar aan-