is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

20. En gezegend zij de Allerhoogste God, die uwe vijanden in uwe hand overgeleverd heeft. En hij gaf hem de tienden van alles.

21. En de koning van Sodom zeide tot Abram: Geef mij de ziel, en neem de have voor u.

22. En Abram zeide tot den koning van Sodom: Ik heb mijne hand opgeheven tot Jeh<ovah, den Allerhoogsten God, den Bezitter der hemelen en der aarde.

23. Zoo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, en zoo ik van iets dat het uwe is, neme, opdat gij niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt.

24. Uitgezonderd alleen, wat de knapen gegeten hébben, en het deel der mannen, die met mij getogen zijn, Aner, Eschkol en Mamre, die zullen hun deel nemen.

INHOUD

1651. In dit hoofdstuk wordt gehandeld over de worstelingen der verzoekingen des Heeren, welke door de hier beschreven oorlogen worden uitgebeeld en aangeduid.

1652. Het waren de goedheden en waarheden, welke zich bij den uiterlijken mensoh bevonden, maar als goedheden en waarheden schenen, waarmede de Heer in de knapen jaren tegen de boosheden en valschheden streed. De schijnbare goedheden en waarheden worden door de in vers 1 genoemde koningen aangeduid, terwijl de boosheden en valschheden, waartegen gestreden werd, worden aangeduid door de in vers 2 genoemde koningen, en dat deze onrein waren, vers 3.

1653. Dat deze boosheden en valschheden, waartegen Hij streed, niet eerder te voorschijn kwamen dan in de knapen jaren, en dat zij toen losbarstten, hetgeen daarmede wordt aangeduid, dat zij Kedorlaomer gediend hadden, vers 4.

1654. Dat de Heer toen alle soorten van overredingen van het valsche bevochten en overwonnen heeft, welke de Refaïm, de Susim, de Emim, de Chorieten zijn, vers 5, 6; hierna de valschheden en de boosheden zelve, welke de Amalekiet en de Emoriet zijn, vers 7; daarna de overige boosheden en valschheden, welke de in vers 8, 9, 10, 11 genoemde koningen zijn.