is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

breiding tot hoe ver beteekenen, kan blijken uit de beteekenis van „Choba, hetwelk is ter linkerhand van Damaskus"; waar Choba gelegen was, weet men niet, daar het verder in het Woord niet vermeld wordt, maar Damaskus was de hoofdstad van Syrië, zooals blijkt uit II Sam. 8 : 5, 6 en Jes. 7 : 8, en hiermede wordt bijna hetzelfde aangeduid als door Syrië, waarover eerder in het 10. hoofdstuk bij vers 22. De laatste grens van het land Kanaan, maar aan Dan voorbij, wordt door Damaskus beschreven, zooals bij Amos: „Gij droegt „Siccuth, uwen koning, en Kijun, uwe beelden, de ster „uwer goden, die gij u hadt gemaakt, en Ik zal u zwer,,ven laten, ver boven Damaskus henen" (5 : 26, 27). De grens van het heilige land of van het Rijk des Heeren tegen het noorden, wordt ook de grens van Damaskus genoemd, Ezech. 47 : 16, 17, 18; hfdst. 48 : 1. Wanneer hier gezegd wordt dat zij geslagen en verjaagd werden tot Choba, hetwelk is ter linkerhand van Damaskus, wordt daarmede aangeduid tot hoe ver 'de reiniging der schijnbare goedheden en waarheden zich uitstrekte; maar wanneer men niet weet, van welken aard die schijnbare goedheden en waarheden waren, en waarvan zij gereinigd werden, zoadat zij echte goedheden en waarheden werden, kan niet worden uitgelegd, wat hier eigenlijk onder Choba ter linkerhand van Damaskus wordt verstaan, alleen in het algemeen, dat die goedheden en waarheden gereinigd zijn.

1716. Vers. 16. En hij bracht alle have weder, en ook Loth, zijnen broeder, en deszelfs have bracht hij weder, en ook de vrouwen en het volk. Hij bracht alle have weder, beteekent, dat de inwendige mensch alles wat in den uiterlijken mensch was, in een overeenkomenden staat bracht; en ook Loth, zijnen broeder, en deszelfs have bracht hij weder, beteekent den uiterlijken mensch en alles wat tot hem behoort; de vrouwen en het volk, beteekent zoowel de goedheden als de waarheden.

1717. Dat de woorden: „hij bracht alle have weder" beteekenen, dat de inwendige mensch alles wat in den uiterlijken mensch was, in een overeenkomenden staat bracht, kan blijken uit de beteekenis van het wederbrengen van alle have; de have is hier datgene, wat Ivedorlaomer en de koningen met hem, van de vijanden