is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waren; en door wie aldus de Engelen werden aangeduid, die met den Heer waren, toen Hij streed, zooals uit de aldaar gegeven verklaring blijkt. Uit hetgeen volgt blijkt het eveneens, zooals terstond duidelijk zal worden. Hier worden zij, die met Abram getogen zijn, knapen genoemd, onder wie geen anderen worden verstaan dan goede geesten, terwijl onder de mannen, waarover straks, de Engelen worden verstaan. Dat er Engelen met den Heer waren, toen Hij tegen de hellen streed, blijkt uit het Woord, voorts ook hieruit dat het, toen Hij in de worstelingen der verzoekingen was, - niet anders kon zijn of er waren Engelen aanwezig, aan wie de Heer uit eigen macht kracht gaf en als het ware macht, om mede te strijden, want alle macht hebben de Engelen van den Heer. Dat de Engelen tegen de boozen strijden, kan blijken uit hetgeen eerder herhaaldelijk over de Engelen bij den mensch gezegd is, namelijk dat zij den mensch beschermen, en de boosheden afwenden waarmede de helsche geesten dreigen; hierover is eerder in de nrs. 50, 227, 228, 697, 968 gehandeld; maar al hun macht is van den Heer. De goede geesten zijn weliswaar ook Engelen, maar lagere, want zij zijn in den eersten Hemel, de engelengeesten echter in den tweeden Hemel, maar de Engelen in den eigenlijken zin des woords zijn in den derden Hemel, waarover in de nrs. 459, 684 is gehandeld. De regeeringsvorm in het andere leven is van dien aard, dat de goede geesten ondergeschikt zijn aan de engelengeesten, en de engelengeesten aan de Engelen zelf, zoodat zij te zamen één engelengezelschap uitmaken. De goede geesten en de engelengeesten zijn het, die hier knapen genoemd worden, terwijl de Engelen zelf mannen genoemd worden.

1753. Dat de woorden: „en het deel der mannen, die met mij getogen zijn" de Engelen beteekenen, blijkt uit hetgeen nu gezegd is; en bovendien worden de Engelen in het Woord', wanneer zij voor de menschen verschenen, mannen genoemd.

1754. Dat Aner, Eschkol en Mamre de dingen beteekenen die bij hen zijn, blijkt uit hetgeen boven in dit hoofdstuk bij vers 13 over dezen is gezegd, namelijk dat door hun naam de goedheden en waarheden worden aangeduid, waarmede gestreden werd, niet zoozeer de Engelen, daar de Engelen, als gezegd, met de knapen en

24