is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. En Sarai, Abrams vrouw, nam Hagar, hare Egyptische dienstmaagd, ten einde van tien jaren, welke Abram in het land Kanaan gewoond had, en zij gaf haar aan Abram, haren man, hem tot eene vrouw.

4. En hij ging in tot Hagar, en zij ontving; en zij zag dat zij ontvangen had, en hare meesteres was gering in hare oogen.

5. En Sarai zeide tot Abram: Mijn ongelijk is op u; ik heb mijne dienstmaagd in uwen schoot gegeven, en zij heeft gezien, dat zij ontvangen heeft, en ik ben gering in hare oogen; Jehovah rechte tusschen mij en tusschen u.

6. En Abram zeide tot Sarai: Zie, uw dienstmaagd is in uwe hand, doe haar, wat goed is in uwe oogen; en Sarai vernederde haar, en zij vluchtte van haar aangezicht.

7. En de Engel van Jehovah vond haar aan eene waterfontein in de woestijn, aan de fontein op den weg van Schur.

8. En Hij zeide: Hagar, gij dienstmaagd van Sarai, van waar komt gij, en waarheen gaat gij? En zij zeide: van het aangezicht van Sarai, mijne meesteres, ben ik vluchtende.

9. En de Engel van Jehovah zeide tot haar: Keer weder tot uwe meesteres, en verneder u onder hare handen.

10. Em de Engel van Jehovah zeide tot haar: Vermenigvuldigende zal ik uw zaad vermenigvuldigen, en het zal niet geteld worden van wege de menigte.

11. En de Engel van Jehovah zeide tot haar: Zie, gij zijt zwanger, en zult eenen zoon baren, en gij zult zijnen naam Jischmaël noemen, omdat Jehovah uwe verdrukking aangehoord heeft.

12. En hij zal een woudezel van een mensch zijn, zijne hand tegen allen, en de hand van allen tegen hem; en hij zal wonen tegen de aangezichten van al zijne broederen.

13. En zij noemde den naam van Jevovah, die tot haar sprak: Gij God, die mij ziet; want zij zeide: Heb ik ook hier dien nagezien, die mij ziet.

14. Daarom noemde zij de fontein, de fontein voor den Levende die mij ziet; ziet, zij is tusschen Kadesch en tusschen Bared.

15. En Hagar baarde Abram eenen zoon, en Abram