is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den innerlijken zin gewaarworden beteekent, zie men in de nrs. 1791, 1815, 1819, 1822.

1899. Dat de woorden: „zie, ik bid u, Jehovah beeft mij toegesloten, dat ik niet bare" den staat beteekenen, eer de inwendige of Goddelijk redelijke mensch geboren is, blijkt uit hetgeen eerder gezegd is over de ontvangenis en de geboorte van den redelijken mensch, namelijk dat de Goddelijk redelijke mensch des Heeren door Izak wordt uitgebeeld, maar de aanvankelijke redelijke mensch, die Goddelijk moest worden, door Ismaël; opdat deze dingen zouden worden uitgebeeld, bleef Sarai zoolang onvruchtbaar, totdat Ismaël een knaap geworden was, waarover in het 21. hoofdstuk; daarom wordt hier gezegd, dat Jehovah haar heeft toegesloten, dat zij niet bare.

1900. Dat de woorden: „ga, ik bid u, in tot mijne dienstmaagd", de verbinding met het uitwendige beteekenen, blijkt eveneens uit hetgeen eerder gezegd is, namelijk dat de redelijke mensch ontvangen en verwekt wordt van den innerlijken mensch als vader, en van den uitwendigen mensch als moeder; het eigenlijke leven des menschen komt van den innerlijken mensch, die geen ander dan een uiterst donkere gemeenschap met den uiterlijken mensch kan hebben, vooraleer de ontvangende vaten, die tot het geheugen behooren, gevormd zijn, en dit geschiedt door erkentenissen en wetenschappen. De invloed van den innerlijken mensch vindt plaats in de erkentenissen en de wetenschappelijke dingen van den uitwendigen mensch, door middel van de neiging; voordat deze aanwezig zijn, bestaat er ondertusschen weliswaar een gemeenschap, maar alleen door neigingen, waardoor de uiterlijke mensch wordt geregeerd; vandaar zijn het slechts heel algemeene bewegingen, en zekere verlangens, voorts zekere blinde bevliegingen, zooals bij kleine kinderen voorkomen. Maar dit leven wordt geleidelijk helderder, naarmate de vaten van het geheugen door erkentenissen, en de vaten van het inwendige geheugen door redelijke dingen gevormd worden. Naar gelang deze vaten gevormd worden en gerangschikt, en wel in zulk een orde, dat zij wederkeerig op elkander betrekking hebben, vergelijkenderwijs als bloedsverwantschappen en aanverwanten, of als gezelschappen en familiën, wordt de overeen-