is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het goede, wreed er zijn dan van eenig dier; deze staten van het goede zijn het, die overblijfselen worden genoemd, düor den Heer geschonken, en in de inborst van den mensch geplant, en wel zonder dat de mensch het weet. In den volgenden leeftijd wordt hij ook met nieuwe staten begiftigd, doch deze staten beboeren niet zoozeer het goede maar het ware toe, want wanneer hij opgroeit, wordt hij met waarheden vervuld, en deze worden evenzoo bij hem in zijn inwendigen mensch weggeborgen; door deze overblijfselen, welke tot het ware behooren, en uit den invloed der geestelijke dingen van den Heer geboren zijn, heeft de mensch het vermogen, dat hij denken kan alsmede verstaan wat het goede en ware van het burgerlijke en zedelijke leven is, voorts ook het geestelijk ware of het ware des geloofs ontvangen; maar dit vermag hij alleen door de overblijfselen van het goede, welke hij in de vroegste kindsheid ontving. Dat er overblijfselen bestaan, en dat zij bij den mensch in zijn inwendig redelijke opgeborgen worden, weet de mensch in het geheel niet, omdat hij meent dat niets invloeit, maar dat het alles iets natuurlijks is, wat hem is aangeboren, zoodat alles in hem zit reeds als kind, terwijl het daarmede toch gansch and'ers gesteld is. In het "Woord wordt herhaaldelijk over de overblijfselen gehandeld, en daarmede worden die staten aangeduid, waardoor de mensch mensch wordt en dit alleen door den Heer. De overblijfselen, die zich bij den Heer bevonden, waren echter alle Goddelijke staten, die Hij zich verworven had, en waardoor Hij het menschelijk wezen met het Goddelijke vereenigde; zij zijn met de overblijfselen bij den mensch niet te vergelijken, want deze laatste zijn niet Goddelijk maar menschelijk. Deze overblijfselen des Heeren zijn het, die door de tien jaren worden aangeduid, welke Abram in het land Kanaan had gewoond. Wanneer de Engelen het Woord hooren, weten zij niet wat tien is, maar zoodra dit getal door den mensch genoemd wordt, komt in hen de voorstelling van de overblijfselen op; want door tien en tienden worden in het Woord de overblijfselen aangeduid, zooals blijkt uit hetgeen gezegd en aangetoond is in de nrs. 576, 1738; en wanneer zij vernemen, dat het was ten einde van tien jaren, welke Abram in het land Kanaan gewoond had, komt de voorstelling van den