is toegevoegd aan uw favorieten.

Mensch, God en onsterfelijkheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar de ontdekking van de Intichiuma-plechtigheden onder de Midden-Australische stammen bewijst, dat wij, door de aandacht gericht te houden op het verbod tot eten van het totem, slechts één kant van de medaille hebben gezien en wel de minst belangrijke van beide. Want die plechtigheden toonen aan — waar niemand ooit tevoren van had gedroomd — dat de man zelf, die zich in het algemeen onthoudt van het eten van zijn totem, niettemin alles in het werk zal stellen om het anderen mogelijk te maken er van te eten, ja dat zijn eigenlijke bezigheid en taak in het leven is om zijn stamgenooten voorraden te verschaffen van het dier of de plant, waaraan hij zijn naam ontleent en waartoe hij in zoo'n nauwe betrekking staat. Met de nieuwe feiten voor oogen kunnen wij veilig veronderstellen, dat wat ook de oorsprong moge zijn van het verbod om het totem te eten, dat door elke groep wordt in acht genomen, dit verbod in wezen bijzakelijk en waarschijnlijk dienstig is voor het groote doel om de gemeenschap als geheel in staat te stellen er van te gebruiken, met andere woorden: bij te dragen tot den algemeenen voedselvoorraad.

In dit licht bezien is totemisme een door en door practisch stelsel, bedoeld om aan de dagelij ksche behoeften van den gewonen mensch op eenvoudige en onmiddellijke wijze tegenoet te komen. Daar is niets vaags of mystieks in, niets van dien metaphysischen nevel, dien sommige schrijvers graag over de nederige aanvangsstadia van menschelijke bespiegeling willen oproepen, maar die totaal vreemd is aan de eenvoudige, zinnelijke en concrete denkwijzen van den wilde. Toch kunnen wij ondanks zijn eenvoud en onmiddellijkheid niet nalaten te voelen, dat er iets indrukwekkends, bijna grootsch is in de alomvattendheid, de volledigheid, het vèrreikende streven van dat stelsel, de schepping van een ruwe en barbaarsche natuurphilosophie. De geheele natuur is afgeperkt in vakken, alle menschen zijn verdeeld in overeenkomstige groepen en aan elke groep is met wonder vermetelen greep de plicht toegewezen om ten dienste van het algemeen welzijn toezicht te houden over een of ander deel der natuur. Godsdienst, zal men opmerken, heeft geen plaats in dit stelsel. De