is toegevoegd aan uw favorieten.

Symbolen en mythen in religie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geheel gemaakt, doordat hij den straffenden, bliksemenden God Jehova (Jahve) tot Israels nationale Godheid verhief, dooh het zijn feitelijk eerst de Profeten, die hun Jahve doen kennen, niet slechts als nationalen God, doch als den Schepper en den Onderhouder van het Heelal. God is naar hunne leer geen natuurkracht doch een persoonlijk God, alwetend, almachtig, de ontwikkeling der menschheid leidend en haar opheffend en verlossend na den zondenval. Ze verkondigen de komst van den Heiland, den „Wereldleeraar, Koning en Rechter".

De pogingen van enkelen, o.a. Bauer, (1845), Kalthoff, Drews, Jensen, om te bewijzen dat Jezus nooit bestaan heeft en het evangelieverhaal voor eene, om verschillende redenen uitgedachte mythe voorstellen, hebben totaal schipbreuk geleden op de onloochenbare geschiedkundige bewijzen, zooals de brief van Plinius de Jongere aan Keizer Trajanus, waaruit blijkt „dat Christus bij zijne aanhangers goddelijke vereering genoot". Verder geven de vijanden van Jezus (de Joden) in den Talmud, en de getuigenis van Plavius Josephus (c.a. 95 na Chr.) die over Jezus schrijft als den „zoogenaamden Christus", ons voldoende bewijzen van zijn bestaan, in zooverre de vorm en de inhoud der Evangeliën daarvan nog geen voldoende getuigenis zouden afleggen, zonder nog te willen spreken van de bekeering van Saulus, den vervolger der Christenen en van de Christenvervolging onder Nero etc.

De voorspellingen der Profeten zijn door de geboorte en het leven van Jezus bewaarheid geworden en de voorspellingen van Jezus zelf vervullen zich nog steeds tot op den huidigen dag!

De Evangeliën zijn geschreven gedurende de eerste eeuw onzer jaartelling, n.1. de synoptische omstreeks 60—70 en het Evangelie van Johannes c.a. 100 j. n. Chr. en deze tijd is te kort voor het ontstaan eener bloote Christus-mythe.

Het oorspronkelijke Christendom heeft als middelpunt zijner vereering — naast God den vader — ook den Christus, en kent aan den laatsten de plaats toe van den eersten. Toch zouden hiertegen enkele gezegden van Jezus zelf pleiten, o.a. dat in Joh. 14 : 28 voorkomend, 't welk luidt: „De Vader is grooter dan ik". De kerk legt dit gezegde veelal uit door aan te nemen, dat Jezus hier doelt op zijne niet alleen goddelijke, doch ook tegelijk menschelijke natuur.

De Kerk neemt aan dat Jezus' kennis geheel oorspronkelijk was en dus niet aangeleerd, zooals integendeel zij aannemen, die beweren — dat Jezus zijne jeugd doorbracht 'bij de ascetische