is toegevoegd aan uw favorieten.

Almacht of Bouwmeester

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komt daarbij in het gevlei aan onzen gevoeligen en zoekenden tijd.

Maar als het er op aankomt deze gevoelens te leiden dan is een soliede redelijke ondergrond noodig. Anders leidt men de menschen slechts zoolang en zoover, als men in de heerschende strooming der gevoelens blijft, ook al gaat men dan in die strooming vóóraan. De menigte kan drijven op gevoelens, vervuld zijn van het pieuze meer dan van het intellectueele begeeren, maar een leider — ook van religieuze stroomingen — kan niet volstaan met het pieuze, met den gevoelskant der dingen. In dat geval zou inderdaad de predikant ook door den religieuzen leek vervangen kunnen worden, — gelijk men hier en daar ook door predikanten zelf wel hoort opperen. Maar ook van de theologie moet het redelijke blijken; door zijn religieuze prediking heen moet men, — als het er op aan komt — tevens de kracht bemerken van de intellectueele en logische fundeering van zijn geloof door de theologie. Want is het ook waar, dat de menschen van heden bovenal het religieuze zoeken, ik ben overtuigd dat de meesten en besten onder hen deze liefst vinden samen met intellectueele bevrediging. Is dat nog niet de algemeene vraag heden, nu de tijdgeest vraagt om de tegenreactie van het intellectualisme, — wie leiden wil voor de toekomst moet weten, dat de ware kracht en bezinning zal liggen in dat evenwicht, dat de intellectueele en de gevoels-reacties gelijkelijk zal waardeeren.

Wij leven thans in een tijd, waarin men reeds waken moet voor de achteruitstelling der intellectueele werking. De menigte drijft op de stroomingen van den tijdgeest. De stroomingen van den tijdgeest zijn gekenmerkt door langzame periodieke wisselingen, doordat zij beurtelings vaak tegengestelde richtingen aannemen. Leider zijn daarbij, is vooral niet enkel geven wat de tijdgeest v r a a g t en gaarne hoort, maar vooral wat zij noodig heeft. En daarvoor moet men zijn tijd zóó kennen en zóó vooruitzien, dat men de fout voorkomt, waarin de tijd dreigt te vervallen; dat men dus den tegenstroom tijdig bevordert, vóór de geest van den tijd de fout van den tijd wordt. Dat wil dus zeggen bijtijds