is toegevoegd aan uw favorieten.

Open brief aan Prof. G.J.P.J. Bolland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dit niet het geval, dan moet das Landesgesetz ihnen güner list worden gebruikt. stig ist, so soll man die Frem-

den durch Ranke plagen, bis dasz der Gewinn den Juden bleibt.

(Tr. Baba k. f. 113, 1).

Dat was haast het „Leib- und Magen"-citaat van den Meineidsprofessor Rohling. Hij kon natuurlijk geen enkel geval aanwijzen — en u ook niet, professor —, dat een Joodsche rechter werkelijk in een proces tusschen een Jood en een niet-Jood partijdig was geweest; al worden feiten door de antisemieten dapper verzonnen en vervalscht, waar iedere alinea van Fritsch u voorbeelden van levert. En daarom kwam hij met die Talmoedplaats aandragen; iederen keer weer. Natuurlijk is de citeering weer valsch.

Want i°. spreekt de heele samenhang van een Romeinschen belastinggaarder. Men kent het gewelddadig en rooverachtig optreden der publicani. Het is Rabbi Akiba, die in deze kwestie meespreekt. Deze werd ter dood gemarteld in den Bar Kochba-oorlog (132 —135), die uitgebroken was vooral ook tengevolge van de geweldenarijen en afpersingen der Romeinsche „tollenaars". Hun geld was gladweg geroofd goed; dat staat daar in de Misjna heel duidelijk. In dien historischen samenhang van die geweldenarijen en afpersingen wordt de stelregel van dat citaat uitgesproken. Want 20. luidt het volstrekt niet „een Jood met een onbesnedene voor de rechtbank", maar: een Jood met een „heiden, die een geweldenaar is", iemand, die lust en macht tot rooven bezit, dus juist zulk een „tollenaar", zulk een publicanus, zooals ze in de door de Romeinen onderdrukt en uitgezogen wordende landen aan 't werk waren. Er komt voorts 30. bij, dat 't heelemaal niet is „een Jood en zulk een heiden voor de rechtbank" ; maar: de Jood als aangeklaagde door den geweldenaar met dezen voor de rechtbank. Het gaat er alleen om, den Jood, die onschuldig door den geweldenaar onder den schijn van recht beroofd zal worden, vrij te krijgen. Elk ander geval wordt in den Talmoed d. t. p. (113^) duidelijk uitgesloten aan 't slot van de redeneering, waar nog eens herhaald wordt: wederrechtelijke schade aan zijn vermogen is verboden. En zelfs in dat bijzondere geval, waarin men