is toegevoegd aan uw favorieten.

De oorsprong der Grieksche wijsbegeerte

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tijd omvattende Spheer te hebben genoemd; „in den tijd is alles," zegt (Phys. 4 : 10) Aristoteles, „en in de spheer des geheels". Bij Eudemus (F Ph G3 : 246 b) lezen wij nog eens, dat, omdat in Tijd en Spheer alles is, Xpóvos en zcpxïpx door sommigen zijn vereenzelvigd, en bij Plutarchus ('over het ophouden der orakels' 21) wordt rondom het veld der waarheid de iEon gedacht. Aristoteles had ('Hemelgewelf' 1 : 9, 10-11) geschreven, dat de onsterflijke en goddelijke iEon genoemd wordt naar zijn eeuwig zijn en van den heelen hemel het einde is, een einde, dat allen tijd en de onbegrensdheid omvat; de hemel (t.a.p. 2 : 1) heet eveneens ongeworden en onvergankelijk, zonder begin of einde — van den geheelen JEon. Die blijkbaar ook bij hem de 'Maqöm' is der voor-Aziatische oneindigheidsgedachte. In den hemel (of de wereldruimte) is naar zijn zeggen weder de eindelooze tijd te denken, al merkt hij bij gelegenheid op, dat men zoude kunnen vragen, of er tijd zoude zijn zonder ziel, — eene echt philosophische en boven theosophie uitgaande vraag; Plotinus heeft (3:7, 10) later met stelligheid geleerd, dat men den tijd buiten de ziel niet had aan te nemen. „Wat is het ware," vraagt (Parthey 13 : 6) in Alexandrië de Hermetisch oud gewordene theosophie zelve, om dan te antwoorden met het meer dan verbeeldingrijke woord: „wat voor zichzelf te vatten is." 1 — „Vader, ik zie alles en mijzelven in den geest!" 2 De geest heet hier noüs of

1) Ti ouv aiijais irriv; Tb b.vtü xaT«)vj7rTÓv. Proculus: ri icpbf kuurb 'enurTpsTiTtxbv affcó/jtaróv ectcv. (Inst. Theol. 15.)

2) W'j.tiz, rd 7tKv bpG> xai spauTèv èv ra voi. (Parthey 13' 13.) Heraclitus ■ ~jxvs TtsipKTK ohx «v Ittvpoio. (D. L. 9 I 7.) Aristoteles: ^ ta 8vt« irós «Tl ita.no.. (De An. 3:8.) Plotinus: airi; b voüs ™ ■zpO.-ui.a.ro.. (Enn. 5:4, 2.)