is toegevoegd aan uw favorieten.

De bouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schilden de gewoonten in de verschillende Loges, waarvan enkele voornamelijk practisch werkzaam waren of bestonden uit lieden die werkdadige Metselaars waren geweest met slechts hier en daar enkele niet-metselaars, die toegelaten waren; terwijl andere reeds in 1645 als louter symbolische Loges bestonden. Natuurlijk werden in Loges van de eerste soort de twee graden afzonderlijk gehouden en gingen zij bij de tweede soort in elkander op — terwijl de eene graad steeds uitvoeriger werd. Langzamerhand werden de lieden, die werkdadig metselaar waren geweest, zeldzamer in de Loges — voornamelijk die van hooger positie, zooals meesterbouwers, architecten enzoovoorts — totdat de orde een louter bespiegelend genootschap werd, dat niet langer vakdoeleinden op het oog had.

Dit niet alleen, maar door dit geheele overgangstijdperk heen en zelfs vroeger, vinden wij aanduidingen van „De Rol van den Meester" en deze aanduidingen nemen in aantal toe naarmate het ambt van Meester van het Werk zijn practisch aanzicht verloor na het tijdperk van den Kathedraalbouw. Wat was de Meesterrol? Ongelukkigerwijs kunnen, hoewel het aantal der graden is aan te geven, hun aard en de bijzonderheden er van niet worden besproken zonder groote onbescheidenheid; maar niets is duidelijker dan dat wij niet buiten de Vrijmetselarij behoeven te gaan om de grondstoffen te vinden waaruit alle drie graden zooals zij thans bestaan werden ontwikkeld 1).

Zelfs de Fransche Compagnonnage of de Zonen van Salomo had de Legende van den derden graad lang vóór 1717, in welk jaar sommigen meenen dat hij werd uitgevonden. Indien er vóór dien datum

1) Ontelbare malen is het de gewoonte van schrijvers geweest, zoowel in als buiten de orde, om de Vrijmetselarij te behandelen als ware zij een bijeenzameling van oeroude overblijfselen en moraliseerende algemeenheden, gevormd uit de overgeschoten beetjes van de legende der Operatieve gilden en de restjes van Occulte kennes en dit is verre van waar. Indien dit een feit ware, zou de schrijver dezes de eerste zijn om het te erkennen, maar het is geen feit. In plaats daarvan gaat het denkbeeld dat een zoo edele orde, met zulk een heroïsche geschiedenis, zoo rijk aan symboliek, met bekwaamheid geordend en met zooveel sporen van een groote oudheid, de schepping van een godsvruchtig bedrog of een vernuftige vroolijke scherts was, de perken van de geloofwaardigheid te buiten en komt op het terrein der zotheden. Dit feit zal met meer nadruk worden bevestigd in het volgende hoofdstuk, waarnaar allf.n verwezen worden

die overal elders gaan behalve tot de vrijmetselarij zelf om te vernemen wat de vrijmetselarij is en hoe zij tot stand kwam.