is toegevoegd aan je favorieten.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde van Middeleeuwen en Rederijkerstijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

241

zelf deed zich als diens geestverwant kennen en heeft aan onze latere Spectatorschrijvers het voorbeeld gegeven om de wijsgeerige denkbeelden van Locke bij ons nog meer te verspreiden 1). Men kende ze hier reeds sedert 1688, toen Locke, de hem vijandige Regeering van zijn vaderland ontvlucht en in onze Republiek (in 1683) gastvrij opgenomen, het eerst in Jean le Clerc's „Bibhothèque universelle" een in 't Fransch vertaald overzicht had kunnen plaatsen van zijn hoofdwerk, dat in 1690 het eerst het hcht zag onder den titel „An essay concerning human understanding", in 1786 ook in Nederlandsche vertaling te Amsterdam gedrukt werd en alom de aandacht trok door het scherpzinnig en in veler oog overtuigend pleidooi voor het zoogenaamd Sensualisme (,,nihil est in intellectu, quód non antea fuerit in sensu") of de leer, dat zintuighjke waarneming de onmisbare voorwaarde is voor het ontstaan van alle bewustzijn en dus van alle kennis in den menschelijken geest, die zonder deze een onbeschreven blad papier, eene „tabula rasa" is. Lang vóór de Nederlandsche vertaling van dit werk verscheen, had een korter geschrift van Locke, zijn „Thoughts on education" (van 1698) hier reeds een vertaler gevonden. Als „Verhandeling over de opvoeding der kinderen" was het reeds in 1698 te Rotterdam gedrukt, maar in 1758 leverde Vbbweb er nog eene nieuwe vertaling van. Geene wijsbegeerte heeft het denkende gedeelte van ons volk in de achttiende eeuw dan ook meer aangetrokken, dan die van Locke.

Als vervolg van „De Philanthrope" is De Denker te beschouwen, in 1763 begonnen en in 1774 gestaakt. De eerste drie deelen er van werden bijna geheel door Cornelis van Engelen geschreven, doch daarna het hij de redactie van het tijdschrift, die hij van Nicolaus Bondt had overgenomen, aan anderen over en begon zelf de uitgaaf van De Philosovph (van 1766 tot 1769). Beide tijdschriften werden met ingenomenheid door het pubhek ontvangen en verdienden dat ook, zoowel om den verdienstehjken stijl, als om de belangrijkheid der onbevooroordeeld behandelde onderwerpen. Vooral aan deze

') Locke's leven werd uitvoerig beschreven door Fox Bourne, London 1.878, II dln. Verder zie men over hem: Th. E. Webb, Essay on the intellectualism of John Locke, London 1858; Viotor Cousin, La philosophie de Locke, 6 éd., Paris 1873; E. Soharer, John Locke, seint Verstandestheorie und seint Lehren über Eeligion, Staat und Erziehung, Leipzig 1802; H. Dathie, Die Erkenntnislehre Lockes, Dresden 1909; Ernest Crous, Die Religionsphilosophischen Lehren Lockes, Halle 1910; E. Tritsche, John Locke''s Ansichten über Erziehung, Naumburg 1866 en G. von Hertling, John Locke und die Schule va* Cambridge, Freiburg 1892.

Tb Winkbl V. 16