is toegevoegd aan je favorieten.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde van Middeleeuwen en Rederijkerstijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

477

Wie daarvan hooge verwachting voor den bloei van den Schouwburg gehad hadden, werden teleurgesteld. Een groot verhes leed de Schouwburg een jaar later door den dood van Antonib Spatzibb, die 9 September 1777 overleed, en dat de later zoo gevierde Johanna Cornelia Wattier in Maart 1777 op vijftienjarigen leeftijd onder Corver's bestuur debuteerde, kon toen nog nauwelijks als eene aanwinst worden beschouwd. De toeloop werd al minder en minder; er moest noodig bezuinigd worden en daarvan was Punt het eerste slachtoffer.' Commissarissen wilden zijne kasteleinij verpachten en dat had nu ook zijn ontslag als acteur ten gevolge. Den 14den April 1777 trad hij voor 't laatst op als Ninus in Philips Zweerts' vertaling van Made de Gomez' Semiramis, en keerde naar Amsterdam terug, maar heeft daar het tooneel niet meer betreden. Twee jaar later, 18 December 1779, is hij er overleden.

Als vergeten kunstenaar is hij wel niet gestorven1), want zelfs lijkdichten zijn er op hem gemaakt; maar op zij gezet was hij in zijn ouderdom toch wèl, hij, die zoovele jaren op den Amsterdamschen schouwburg als onze eerste acteur had geschitterd; en te begrijpen is het daarom ook, dat iemand als Simon Styl, die hem zoozeer bewonderde en zich over de door hem ondervonden bejegening daarom te meer ergerde, zich niet tot eene hooggestemde lofrede op hem bepaalde, maar ook smalend en bitter oordeelde over Corver, aan wiens intrigeeren hij alle tegenspoeden van Punt's laatste levensjaren weet. Dat Corver, die meende eerlijk gehandeld te hebben, op zijne beurt den hem aangedanen hoon heftig en hatelijk beantwoordde, is evenmin vreemd, want van de zegepraal, door hem op zijn mededinger behaald, heeft hij slechts zeer kort mogen genieten.

De drie jaar, waarin hij directeur van den Eotterdamschen schouwburg mocht zijn, is een moeilijke en verdrietige tijd voor hem geweest. Had Punt misschien niet het noodige gezag als directeur kunnen toonen, zooals Corver beweert, de nieuwe directeur had eveneens, ja nog meer, te worstelen met de tuchteloosheid van een gezelschap, dat hij zelf niet bijeengebracht had en dat, althans gedeeltelijk, hem als een indringer beschouwde. Ook de commissarissen waren het onderling niet eens, en Gblinus van

') Dat hij ook na zijn vertrek uit Amsterdam daar niet door iedereen vergeten was, zie men uit het opstel van J. H. Róssing, Carel Passé uitgefloten in „Noord- en Zuid-Ned. Tooneelalmanak" voor 1875, bl. 156—174.