is toegevoegd aan je favorieten.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde van Middeleeuwen en Rederijkerstijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

263

Ofschoon voor fijnproevers bestemd, kon deze roman in 1917 toch nog een negenden druk beleven, daar de belangstelling van het publiek in Oostersche wijsheid in dezen tijd meer en meer toenam, zooals ook bleek uit den grooten opgang, dien hier, zoowel in het oorspronkelijke als in de vertaling (door den Amsterdamschen hoogleeraar in de geschiedenis H. C. Rogge), de Duitsche romans maakten waarin de geleerde Georg Moritz Ebers de aloude Aegyptenaars deed herleven. De eerste van deze mogen aan Van Limbubg Bbouwee misschien tot voorbeeld verstrekt hebben, met de latere kon zijn Akbar de vergelijking gemakkehjk doorstaan.

Ofschoon Mevr. Bosboom-Toussaint *) in haar lateren tijd, vooral onder den invloed van eigen ongesteldheden en de langdurige melancholische arbeidloosheid van haar echtgenoot, waardoor zij bovendien genoopt werd hare pen al te zeer als bron van inkomsten te gebruiken, zich zelf lang niet altijd gelijk bleef bij hetgeen zij schreef, mag men toch gerust zeggen, dat zij zich over het algemeen wist te handhaven op de eerste plaats, die zij zich onder de romanschrijvers had veroverd.

Haar Medianoche (1852), „een tafereel uit den Nijmeegschen vredehandel" met Spaanschen titel stond als een al te slordig gestileerde eh door slecht Italiaansch en Spaansch ontsierde roman niet op de hoogte van haar talent en kan ons met zijne weerzinwekkende diplomatieke onderhandelingen moeielijk bekoren; en haar Don Abbondio II (1853) verhief zich al niet veel hooger. Daarop volgden verschillende historische novellen, waaronder in 1854 de martelaarsgeschiedenis van den schilder Jan Woutersz van Cuyck en in 1858 Een Leidsch student m 1593, namehjk Floris van Pallant, de verloofde van Francijntje Lantscroon, en daarop in 1860 de veel te gerekte „roman van een rijk edelman", Graaf Pepóli *), die bij hare gewone deugden ook duidelijk hare gebreken toonde en in het bijzonder hare zucht om de beschrijving der uiterlijke omgeving, waarin de handeling voorvalt, zóó tot in kleine bijzonderheden te detailleeren, dat de indruk van het geheel er onder lijdt en de lezing tot vermoeienis wordt. De Triomf van Pisani volgde in 1861. Met De Bloemschilderes Maria van Oosterwijk,

') Voor Mevr. Bosboom-Toussaint zie men boven, bl. 65.

*) Van haar Graaf Pepoli, 't eerst ten deele in „De Tijdspiegel" van 1860 en vervolgens in boekvorm, Arnhem 1860, verschenen, gaf Joh. C. Zimmerman eene beoordeeling, Fictie en Historie, in „De Gids" XXIV (1860), II, bl. 680—700.