is toegevoegd aan je favorieten.

Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

98 ONDERWIJS

legenheid gegeven kan worden. Deze regering is getroffen in het belang van hen, die ver van de plaats van vestiging eener H. B. S. wonen en anders genoodzaakt zouden zijn hun kinderen alleen reeds voor het toelatingsexamen een lange en kostbare reis te laten maken. Zij heeft bovendien het voordeel dat de beslissing niet uitsluitend berust bij examinatoren, die de lagere school niet uit dagelijksche ervaring kennen, terwijl ook andere bezwaren tegen enkel externe examens (aanmoediging van examendressuur, aankweeking van ingepompte kennis enz.) daardoor worden getemperd. Voor toelating tot de tweede en volgende klassen geldt geen exameneisch in geval van overgang van een andere H. B. S., ook van een in Nederland, waar omgekeerd de Indische bewijzen van overgang hetzelfde effect hebben. Tot de 4de klasse der 5jarige H. B. S., hebben ook abituriënten der 3-jarige toegang, mits in het bezit van een verklaring van den directeur dezer school, dat zij voor het onderwijs in genoemde klasse geschikt zijn. Het aantal leerhngen der H. B.-scholen is in den loop der jaren tamelijk gestadig toegenomen, althans tot 1910, waarna bij de scholen met 5-jarigen cursus tijdelijk een daling intrad, die welhoht vooreen deel verband hield met den meerderen bloei der inrichtingen voor M. U. L. O. Na de oprichting van de H. B. S. te Bandoe1 g gi g het aantal leerhngen weer met groote sprongen vooruit. Bezochten in 1905, 1910 en 1915 achtereenvolgens 699, 1029 en 999 leeri ngen de hoogere burgerscholen, in 1917 was dat aantal reeds gestegen t:t 1567. Daaronder ware i 437 meisjes. Het aantal Inlandsche en Ohineesche leerhngen steeg van uit. 1905 tot uit. 1917 van resp. 36 en 15 tot resp. 78 (waaronder 4 meisjes) en 145 (waaronder 8 meisjes). Het aantal leerhngen der 3-jarige H. B. S. te Batavia steeg van uit. 1905 tot uit. 1917 vrij regelmatig van 109 tot 220 (waaronder 57 meisjes). Voor een deel is deze stijging het gevolg van toeneming van het aantal Inlandsche en Chineesche leerlingen, nl. resp. van 1 en 2 op uit. 1905 tot 10 en 36 op uit. 1915.

Het schoolgeld bedraagt voor de Hoogere Burgerscholen met 5-jarigen cursus /120 's jaars in de laagste drie, en ƒ 180 's jaars in de hoogste twee klassen, en voor de 3-jarige H. B. S. naar gelang van de gegoedheid der ouders ƒ 10 tot / 5 voor het eerste kind en / 7 tot / 2.50 voor elk volgend .kind uit eenzelfde gezin. Onder bepaalde voorwaarden genieten kinderen van onvermogenden kosteloos onderwijs en gratis-verstrekking van leermiddelen. Op ulto. 1917 bedroeg het aantal van die leerlingen op de 5-jarige en 3-jarige scholen 3.6 % (w.o. 6 Inlanders).

Voor het onderwijzend personeel der Hoogere Burgerscholen, 3-jarige zoowel als 5-jarige, gelden dezelfde bevoegdheidseischen als in Nederland. Bij tijdelijke ontstentenis van bevoegden kan ook ander geschikt personeel aangesteld worden, doch alleen op tijdelijken voet. Van de 94 leeraren, op ulto. 1915 bij de 5-jarige Hoogere Burgerscholen werkzaam, waren 37 volledig gediplomeerd voor middelbaar onderwijs en bezaten 20 universitaire bevoegdheid. Onvolledig bevoegd voor middelbaar onderwijs en gediplomeerd volgens de wet op het lager onderwijs waren 23 leeraren, terwijl de overblijvenden ingenieurs, officieren, enz. waren. Bij de 3-jarige

(OPENBAAR).

H. B. S. waren op genoemd tijdstip 20 leeraren in dienst, die allen universitaire of middelbaaronderwijs bevoegdheid hadden.

De Hoogere Burgerscholen staan (met de technische scholen) sedert 1910 onder toezicht van een inspecteur voor het middelbaar onderwijs, terwijl voorts voor iedere school een Oommissie van Toezicht is ingesteld.

§ 10. Voortgezet en uitgebreid lager onderwijs (M. ü. L. O.) Het openbaar M. U. L. O. dagteekent in Indië van 1903, toen aan 2 Europeesche eerste lagere scholen (dus scholen met Fransch) 2-jarige cursussen voor dat onderwijs werden verbonden. In 1910 werd het leerplan met een derde leerjaar uitgebreid en een uniform eindexamen voor deze cursussen ingesteld. Dezo instellingen werden in het leven geroepen ten behoeve van jongeheden, die niet in aanmerking komen of willen komen voor middelbaar onderwijs, zooals dat op de Hoogere Burgerscholen gegeven wordt, of voor technisch en vakonderwijs, doch niettemin hun maatschappelijke bruikbaarheid wenschen te verhoogen door vermeerdering en uitbreiding van de op de lagere school opgedane kennis. Waar de ervaring geleerd had, dat de H. B. S., welker onderwijsmethode — vooral door de scherpe scheiding der vakken — aan de leerhngen tamelijk hooge eischen van zelfstandigheid stelt, voor een groot deel hunner niet de meest geschikte inrichting voor verdergaand onderwijs was, werden voor zulke leerlingen groote verwachtingen gekoesterd van het M. U. L. O., dat in zooveel nauwer verband staat met het lager onderwijs en dat, evenals dit laatste, gegeven wordt door klasse-onderwijzers, een methode, waarbij de onderlinge samenhang van verschillende vakken beter tot zijn recht kan komen en meer eenheid in de leiding der leerlingen mogelijk is, dan wanneer het onderwijs in handen van vakdocenten is. Overigens komt het M. U. L. O. in veel ovéreen met het onderwijs der 3-jarige H. B. S. Bij beiden staat algemeene vorming op den voorgrond en het programma van het eerste, waarop ook de moderne talen niet ontbreken, wijkt maar weinig af van het leerplan der 3-jarige H. B. S. Voor de ontwikkeling van het Indische M. TJ. L. O. is van zeer groot gewicht, dat bij de inrichting daarvan geen rekening behoeft gehouden te worden met de belangen, die voor het Europeesch lager en middelbaar onderwijs geleid hebben tot bijna slaafsche navolging van de moederlandsche modellen. Hier is dus een instituut, dat met zuiver Indische behoeften en met de belangen van leerhngen uit verschillende bevolkingsgroepen rekening kan houden. Bij de oorspronkelijke organisatie van het M. U. L. O. heeft deze gunstige factor evenwel weinig of geen invloed uitgeoefend. Wel stonden de cursussen van den aanvang af voor leerlingen van alle landaarden open, maar door hun samenhang met de voor niet-Europeanen slechts in zeer beperkte mate toegankelijke Europeesche lagere school, waren zij voor dezen moeilijk bereikbaar, terwijl ook het onderwijs eenvoudig voortbouwde op het naar Europeesche behoeften ingericht lager onderwijs. Zelfs kon de normale M. TJ. L. O.leergang, omdat daarbij kennis van de beginselen der Fransche taal verondersteld werd, niet eens door ex-leerhngen van alle Europeesche lagere scholen gevolgd worden. Een poging om daarin te voorzien door Fransche namiddagcursussen