is toegevoegd aan je favorieten.

Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

592

REKENKAMER (ALGEMEENE)—REMBANG.

stemmigheid, met 2 leder) een besluit nemer. Sa Kamer is verplicht jaarlijks een omstandig verslag harer werkzaamheden in te dienen, dat in vereenigde zitting wordt vastgesteld; het wordt door den Gouv.-Gen. aan den Min. v. Kol. gezonden en door de Koningin aan de Staten-Generaal medegedeeld; voorts doet de Kamer den Gouv.Gen. zoodanige voordrachten ep mededeelingen als, volgens haar inzien, kunnen leiden tot vermindering of besparing van uitgaven en tot vereenvoudiging van het geldelijk beheer.

Bij het decentralisatiebesluit (Ind. Stb. 1905 no. 137) is aan de Algemeene Rekenkamer het onderzoek opgedragen van de door de locale raden voorloopig vastgestelde begrootingsrekeningen van gewesten of gedeelten van gewesten met eigen geldmiddelen. Zij brengt van haar bevinding verslag uit aan den Gouv.-Gen., die het slot van rekening vaststelt.

In overweging is nog het denkbeeld om aan de Kamer het toezicht op te dragen over het beheer der landschapskassen.

Be contröle op het beheer en de verantwoording der Indische geldmiddelen, voor zooverre die in Nederland worden gevoerd, berust bij de Algemeene Rekenkamer aldaar en geschiedt overeenkomstig de voorschriften der genoemde Obmptwet en voorts naar de bestaande of nader vast te stellen bepalingen voor de contröle der Staatsontvangsten en -uitgaven. Van deze werkzaamheden biedt zij de Koningin jaarlijks een verslag aan, dat aan de Staten-Generaal wordt medegedeeld.

BËMBAJA. Zie VAABTUIGEN.

RËMBANG. Landbeschrijving. Residentie van Midden-Java, tan N. door de Javazee, ten O. door Soerabaja, ten Z. door Kediri en Madioen en ten W. door Semarang begrensd. In de Java-zee begrenst Oedjoeng Lèran de reede van Rëmbang ten O. en Oedjoeng Awër-awër de reede jvan Toeban ten W. Be Noordelijkste punt van het gewest is Oedjoeng Bënda. Van Madioen en Kediri wordt Rëmbang gescheiden door eene heuvelreeks, die haar hoogste punt bereikt in den G. Pandan, 906 M. hoog, juist op het grenspunt der drie gewesten.

De oppervlakte van de residentie Rëmbang bedraagt 1436 K.M.2. Zij had op het eind van 1905 eene bevolking van bijna 1} millioen zielen, waaronder ruim 1000 Europeanen, -j; 18 000 Chineezen en ruim 600 Arabieren.

De G. Pandan (897 M.) en de G. Lasëm (807 M.) ten Z. van Oedjoeng Lèran, bestaan uit oud-tertiaire eruptief-gesteenten, aan de oppervlakte tot eene bruine klei verweerd. Overigens is de bodem van Rëmbang geheel van sedimentairen aard; hij bestaat in het N. uit een uitgestrekt kalkterrein en in het Z. uit een breocie- en mergelterrein, tusschen welke de breede Solo-vlakte gelegen is. Het Noordelijke kalksteenterrein loopt van de grens met Semarang over het midden en Noorden van het gewest door tot de Soerabaja'sche grens; het wordt alleen afgebroken door de kwartaire gronden, gevormd door het stroomgebied van de kali Loesi en do kali Gënëng. Bedoelde kalkgronden bestaan echter niet uit zuivere kalksteen; maar zijn vermengd met andesietgruis en worden afgewisseld door mergelbanden en kleisteenen. Het Zuidelijke tertiaire gebergte, dat zich langs de geheele Zuidergrens uitstrekt, bestaat uit een

ondergrond van brecciën, welke ten N. van Ngawi door de Solo-rivier loodrecht op de richting der lagen doorsneden worden. Deze brecciën worden naar het Noorden door zanderige mergels, en aan de Zuidzijde door kalkhoudende zandsteenen overdekt.

De kwartaire afzettingen in het stroomgebied van de Solo-rivier bestaan uit bijna horizontale banken van rolsteenen, gele klei en zand, in vroegeren tijd bij hoogeren waterstand door de rivieren afgezet. De bovenste laag dezer afzettingen is eene gele klei, aan de oppervlakte eenigszins donker gekleurd door plantaardige overblijfselen. De kwartaire gronden van het gebied der Solo-rivier vinden Westelijk eene voortzetting in de Randoeblatoeng-vallei. Ten O. en ten W. van den G. Lasëm ligt nog een klein, vlak, kwartair terrein, bestaande uit gele klei en witte kalkhoudende tuffen. Langs de Noordkust strekt zioh eene zeer smalle strook alluvium uit, welke alleen ten W. van Toeban zioh wat dieper landwaarts voortzet. Eindelijk hgt ten N. van Bowërno, tusschen de Solo-rivier en de Soerabaja'sche grens, een driehoekig stuk alluvium, bevattende de rawa Mlangi en het meer Këdoeng Djarakan.

De rivieren van Rëmbang behooren alle tot het gebied van de Noordkust. De Solo-rivier of Bëngawan doorbreekt ten N. van Ngawi op de grens met Madioen den reeds vermelden Zuidelijken heuvelrug. Over die grens ligt de bedding van de rivier + 30 M. boven zee. Op Rëmbangschen bodem stroomt zij met vele krommingen langs de districtshoofd plaatsen Tjëpoe, Padangan, Kalitidoe en Rèngël en de afdeelingshoofdplaats Bod jonëgoro naar de Soerabaja'sche grens, alwaar de bedding eene hoogte heeft van 10 M boven zee. De Solo-rivier verdeelt het vrij regelmatige parallelogram, waaruit de residentie Rëmbang bestaat, in een grooter Noordwestelijk en een kleiner Zuidoostelijk deel. Hare voornaamste zijrivieren zijn; de Randoeblatoeng, de Gënëng, de Gandoeng, de Tidoe en de Patjal. De kah Loesi, mede eene belangrijke rivier, ontspringt ten Z.O. van Blora en stroomt in Zuidwestelijke richting naar de Semarangsche grens, in welk gewest zij in de kali Sérang valt. Naar het N. stroomen: de rivier van Lasëm en de Randoegoenting, grensrivier met Japara.

Nabij de grens met Semarang ligt, op kwartairen bodem, de uitgestrekte slijkbron Kësanga, welke eene geheel kale oppervlakte van 100 M. lengte en 800 M. breedte beslaat, waarop eene menigte slijkhoopjes verspreid liggen, waarvan enkele nu en dan slijk en zout water uitwerpen. Ook worden uitgeworpen, met de klei, stukken van de onderliggende mergelkalk, fossiele beenderen en tanden. De bron Kësanga hgt in dezelfde lijn en op geringen afstand van de zout- en slijkbronnen van Koewoe en Djanain Semarang. In de nabijheid van Toeban vindt men, vlak aan zee, ééne, en nabij de kust talrijke andere zoetwaterbronnen. De Noordelijkste bron ontlast zioh gedeeltelijk ook in zee; vooral bij eb ziet men het water in het zand opborrelen. Deze bron is nu door een gemetselden put omsloten; zij bestond al in oude tijden en vormde toen een kleine kom, waarvan in een Ohineesch bericht van 1416 n. Chr. melding wordt gemaakt.

In de mergels en kleisteenen ten Z. van Sedan zijn eenige bruinkoollaagjes van 0,60 a 0,70 M. dikte aangetroffen. De kolen zijn van geringe