is toegevoegd aan je favorieten.

Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

808

GMELINA MOLUCCANA—COÖPERATIE IN NED.-INDIË.

GMELINA MOLUCCANA Backer, fam. Verbenaceae. (G. macrophylla Wall., Vitex moluccana BL). Titi (mal. mol.), Toehoe, Toeroe (halmahéra). Tot 27 m. hooge boom uit de Molukken met licht, doch duurzaam, voor prauwen • zeer geschikt hout, waarvan een witte en een roode vorm voorkomt; de witte is het meest ge. schikt en wordt evenals de roode ook tot dit doel aangeplant.

GORPONIA EXCELSA BL, fam. Theaceae. Madang kataping (minangk.), Ki mandjel, Ki sapi (soend.). Over den geheelen Archipel voorkomende, 20—40 m. hooge boom, tusschen 1000 en 1700 m. zeehoogte, waarvan het hout, behalve voor huishouw, ook voor rijststampers en fijne houtwerken gebezigd wordt. Op pasars zijn de groote bloemen wel eens aangetroffen, welke sterk op die van poespa gelijken.

GREVILLEA ROBUSTA A. Cunn., fam. Proteaceae. Salamandar (soend.). Silky oak is inheemsch in Australië als schaduwboom en wegbeplanter en wordt voor herbebossching gebruikt. Het hout is bruikbaar voor theekisten, doch soortelijk zwaarder dan dat van Albizzia.

GYMNOPUS ALBUMINOSUS (Berk.) van Overeem, behoorende tot de Fungi. Djamoer rajap (vuig. mal.), Soepa boelan, S. rinjoeh, S. sanggal ( soend. ). De termietenzwam is in geheel Ned.-Indië zeer algemeen en behoort bij de inheemsche bevolking tot de meest gezochte lekkernijen. Komen na het doorkomen der regens de larons (zie LARON) te voorschijn, dan steken de inlanders daar een stokje in den grond, wetende, dat daar vroeger of later de paddestoelen zullen opschieten. Men braadt ze in een pan met wat zout, uien en lombok. Ook Gymnopus microcarpus (Berk. & Broome) van Overeem, een in den Archipel algemeene paddestoel, wordt door de bevolking veel gegeten, evenals op Ceylon.

GYROCARPUS AMERICANUS Jacq., fam. Hernandiaceae. (G. asiaticus Willd., G. Jacquini Roxb.). Ganggangan, Gedreg (jav.), Hamboei (alob), Bonak boesoek (tim.). Boom tot 25 m. hoog en 80 cm. dik, verbreid over de tropen der geheele wereld, (op Java alleen in Besoeki gevonden, beneden 50 m. zeehoogte, waar van de -zuilvormige stammen kano's worden vervaardigd); het hout is echter weinig duurzaam. De vruohten hebben opvallende vleugels.

INTSIA AMBOINENSIS Thouars (Afzelia bijuga A. Gray), fam. Leguminosae. Moluksch ijzerhout, Merbaoe (mal.), Merbo (soend.). Tot 35 m. hooge en 1 m. dikke boom, vooral in de kuststreken, op Java in het Westen zelden voorkomend, doch door den geheelen Archipel verspreid vooral in het Oosten op Celebes en in de Molukken veel op koraaleilanden, herkenbaar aan de groote platte peulen, de 2-jukkige bladeren en de gladde aschgrijze schors. Het door groote sterkte en duurzaamheid uitmuntende hout is zeer gezocht voor huizen- en bruggenbouw en het maken van meubels; het is in bestorven toestand bruin tot zwartbruin of lichtrood en soms (Minahasa) fraai gevlamd. Het schijnt niet bestand te zijn tegen paalworm.

INTSIA BAKERI Prain. (Afzelia palembanica Baker, non Miq.), fam. Leguminosae. Merbaoe (mal.). Groote, zware boom tot 45 m. hoog als de voorgaande, doch met zekerheid alleen bekend op vochtige gronden of nabij zoetwater tot op 300 m. zeehoogte in Malaka, Sumatra en Celebes, le¬

vert het Palembangsch ijzerhout, dat niet aangetast wordt door witte mieren. Het lichtbruine hout laat zich goed polijsten en is o.a. op Zuid Celebes in zeer groote afmetingen te verkrijgen. Het is duurzaam en goed te bewerken en wordt gezocht voor huizen-, bruggenbouw, meubels, enz INTSIA PLURIJUGA Harms, fam. Leguminosae. Tos lèlakè, Doworokomè (halmahéra). Woudreus van Halmahéra en Nieuw Guinee, tot 51 m. hoog, evenals de andere fnteia-soorten op geringe hoogte boven zee voorkomend; het geelbruine breede kernhout staat in hoog aanzien wegens zijn duurzaamheid en sterkte en wordt gebruikt voor huizen- en bruggenbouw.

DERRIS ELLIPTICA (Aanvulling van suppl afl. 27, blz. 838). Zie TOEBA.

COÖPERATIE IN NED.-INDIË. Historische ontwikkeling. Aan het eind van de vorige eeuw is men begonnen met proefnemingen om te komen tot een goed credietstekel voor de inheemsche bevolking. In 1895 werd door den assistentresident E. Sieburgh, in samenwerking met vier Javanen, de Poerwokertosche Hulp-, Spaar- en Landbouwcredietbank opgericht. Toen in 1897 de assistent-resident W. P. D. de Wolff van Westerrode te Poerwokerto werd geplaatst, stelde deze de reglementen en administratieve modellen voor deze bank op en in een artikel in het Tijdschrift van Nijverheid en Handel zette hh' in 1898 zijn denkbeelden uiteen omtrent het oprichten van dergelijke landbouworedietbanken. Behalve met deze banken trachtte hij het doel ook te bereiken met dèsa-coöperaties, samengesteld en beheerd door belanghebbenden. Deze organisaties beschouwde De Wolff als de ideale instellingen, waarvan veel viel te verwachten. In zijn verloftijd (1900) had hij studie gemaakt van de werking der boerenleenbanken volgens het stelsel van Raiffeisen en van Schulze-Delitzsch en hij was ervan overtuigd, dat dorpsbanken op Raiffeissensehen grondslag er veel toe zouden kunnen bijdragen, om op Java en Madoera de landbouwers op te heffen. Bovendien liet hij zich beïnvloeden door de zoogenaamde ontdekking van Duperneix, Crosth waite (beide ambtenaren in NoordBritsch-Indië) en Nicholson (ambtenaar in ZuidBritsch-Indië), die in hun geschriften de stelling verkondigden, dat op het gebied van coöperatie het Oosten veel beter voorbereid was dan het Westen. In de trekken van saamhoorigheid en in de vormen van samenwerking der primitieve dorpsgemeenschappen zagen zn' duidelijk de coöperatieve beginselen aanwezig, welke zg zoo geschikt achtten voor de oprichting van landbouworedietbanken.

Het vurig pleidooi van De Wolff van Westerrode heeft veel invloed gehad. Het Volksoredietwezen (zie aldaar; Dl. IV, blz. 605 en suppl. afl. 23, blz. 713) is van toen af een zaak van algemeene belangstelling geworden. Ware zgn advies gevolgd, dan zou wellicht Ned.-Indië, evenals Britsch-Indië, duizenden coöperatieve oredietorganisaties rijk zgn geworden. Het lot heeft anders gewild. De aandrang uit Nederland liet geen tijd tot verdere proefnemingen door De Wolff van Westerrode. De Regeering was tot het inzicht gekomen, dat verschaffing van goedkoop crediet het middel zou zijn om de welvaart van de inheemsche maatschappij omhoog te brengen. In de rampspoedige jaren van oogstmislukking (1901 en 1902) moest wat gedaan wor-