is toegevoegd aan je favorieten.

Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PETROLEUM.

1121

PETROLEUM. (Aanv. van DL III). Sub B. Geologisch voorkomen. In het oorspronkelijk artikel wordt opgemerkt, dat de

voornaamste petroleumvelden der aarde

ook die in Indië — gelegen zijn in afzettingen der tertiaire periode of in weinig oudere. In Ned.-Indië treft men ruwe olie aan van verschillenden ouderdom; meestentijds dateert zij echter uit het j ong-tertiaire tijdvak. In deze periode, voorafgaande aan het Europeesche ijstijdperk, vormden Malaka, deOostkust van Sumatra, Bangka, Billiton en een groot deel van Midden-Borneo een uitgestrekt vastelandsmassief, dat in de paleogeographie het neogene Soendaland wordt genoemd. De tertiaire zee strekte zich uit ter plaatse van het tegenwoordige Atjèh, Midden- en Zuid-Sumatra, de N.-kust van Java en de Z.- en O.-kust van Borneo. Waar heden ten dage de olieterreinen liggen, golfde in dien tijd de zee, ondiep, blijkens den aard der gesteenten, die daarin werden afgezet. Tegen het einde van het tertiaire tijdvak traden gebergtevormende krachten op, die deze lagen tot boven het zeeoppervlak ophieven. In de bodemafzettingen der tertiaire zee bevinden zich nu onze belangrijkste olievindplaatsen en tevens een aantal gewichtige productie centra van de Bataafsche Petroleum Mij., de Nederl.-Indische Aardolie Mij. en de Nederlandsche Koloniale Petroleum Mij.

Aanteekening verdient verder, dat bij het onderzoek dar terreinen thans ook wel gebruik gemaakt wordt van geophysische methoden, die tot voor kort onbekend waren en die het mogelijk maken om zonder proefboringen met behulp van zeer verfijnde instrumenten bijzonderheden omtrent den bouw der aardkorst, die duiden op het al of niet voorkomen van olie, te leeren kennen.

Sub C. Geografisch voorkomen. De gezamenlijke oppervlakte der productieve olieterreinen in Indië (die der produceerende of geproduceerd hebbende concessies en contractgebieden) is ongeveer 110.000 ha. op Java, 460.000 ha. op Sumatra en 230.000 ha. op Borneo. VgL de lijst, welke voorkomt in het Jaarboek van het Mijnwezen in N.L, alg. gedeelte en het kaartje der oliehoudende gebieden door Prof. Molengraaff in de Verh. der Kon. Ac. v. Wet., jg. 1920, blz. 141.

De aardolieconcessies — de nieuwste heeten contracten — zijn gelegen:

op Sumatra: in de oostelijke helft van Atjèh, in het gouvt. Oost-kust v. Sumatra (Langkat), in Djambi en in Palembang;

op Java: in de residenties Japara-Rembang, Bodjonegoro, Soerabaja en op Madoera, alsmede enkele in Batavia, Semarang en Kediri;

op Borneo: in de landschappen Koetei en Boeloengan ;

ook in Riouw liggen enkele contracten.

Noch op Celebes, noch op de kleinere eilanden, uitgezonderd Riouw, is tot nu toe olie in exploitabele hoeveelheden gevonden. Slechts op Ceram wordt in de tertiaire kuststrook geregeld een matige productie verkregen.

Sub. D. Eenige algemeene aanteekeningen over de Indische terreinen. De gegevens over de diepte, waarop de olie wordt aangetroffen, voorkomende op blz. 395 van DL III, hebben eenige wijzigingen ondergaan. Zuid-Sumatra met plaatselijk ongeveer 1600 m. maximum heeft daarbij nu het record; op de meeste der grootere Borneo-, Suma¬

tra- en Java velden behoeft men niet dieper te gaan dan 200 a 800 m.

Sub. E. Techniek. Werden in het oorspr. artikel pijpleidingen van 150 km. genoemd, die van Tempino naar Pladjoe is zelfs 350 km. Het aantal raffinaderijen in Indië bedraagt thans 14, waarvan 9 in werking, t.w. te Pangkalanbrandan, Pladjoe, Soerabaja, Soeban Djerigi, Wonokromo, Tjepoe, Kapoean, Klantoeng, Soengei Gerongl Balikpapan en Boela (Ceram). Door destillatie en verdere bewerkingen worden in de raffinaderijen uit het ruwe product gewonnen: benzine, kerosine (voor verlichting en motoren), gasolie, brandstofolie voor stoomketels en motor-doeleinden, smeeroliën, paraffine, asphalt en consistentvet.

Sub. F. Geschiedenis. Het alleroudste bericht om- ' trent aardolie in den Archipel stamt uit het jaar 071, toen van Criwidjaja (Palembang) een gezantschap werd afgevaardigd om den Keizer van China een verschuldigde schatting te betalen. Deze werd ten deele voldaan in petroleum. Ook in oude reisverhalen, b.v. in het „Itinerario" van Jan Huygen van Linschoten, komen herhaaldelijk berichten voor omtrent aardolie.

Meermalen gebeurde het, dat de Heeren XVII of Heeren Bewindhebbers eener Kamer aan de afgezanten van de Vereenigde 0.1. Compagnie opdracht gaven, uit Sumatra aardolie mede te brengen, daar deze „seer wert geëxtimeert ende tot verstramde beenen ende leden met goede operatie ghebruickt".

Wat Java betreft, verdient onder dit hoofd vermelding, dat van de eoncessieterreinen op dit eiland tot ultimo 1931 ongeveer 7.684.000 kg. ton ruwe olie gewonnen werd en dat door enkele maatschappijen, w.o. de Algemeene Exploratie Maatschappij, in 1930 opnieuw op Madoera met exploreeren begonnen is.

Ten aanzien van Borneo valt te melden, dat eerst in latere j aren een terrein, dat deel uitmaakt van de op blz. 397 van DL III reeds genoemde Nonny-concessie, n.L Sambodja, aan de productie begon deel te nemen. In 1929 produceerde Sambodja 500.000 kg. ton en in 1931 bijna 400.000 kg. ton aardolie. De concessies leverden tot ultimo 1931 ongeveer 23.000.000 kg. ton ruwe olie. Het noordelijk gelegen eiland Tarakan produceerde tot ultimo 1931 ruim 19.500.000 kg. ton.

Sumatra. Het terrein Boeloe Telang (zie DL m, blz. 897) leverde tot ultimo 1931 1.857.000 kg. ton ruwe olie. De 3 concessies der Maatschappij Moeara Enim leverden tot ultimo 1931 ongeveer 4.290.000 kg. ton ruwe olie. De t.a.p. genoemde raffinaderij van de Sumpal bij Bajoeng Lentjir bestaat thans niet meer. Het terrein was niet zoo rijk en leverde tot ultimo 1931 slechts 518.000 kg.'ton olie. De concessie Karang Ringin van de Moesi Hir leverde tot ultimo 1931 ongeveer 202.000 kg. ton op. De raffinaderij in de nabijheid van die der Moeara Enim te Bagoes Koening bestaat niet meer. De totale productie van de concessies Kajoe Arau Bongkoe, Selaro en Ladang Pait, Lematang en Arahan (zie Dl. III, blz. 398) leverde tot ultimo 1931 ongeveer 418.000 kg. ton.

De in Atjèh gelegen concessie Peureula (zie DL III, blz. 398) leverde tot ultimo 1931 ongeveer 4.769.000 kg. ton, de concessie Moeara op Borneo bijna 2.590.000 kg. ton ruwe olie, Tarakan ongeveer 14.142.000 kg. ton.

Tankinstallaties werden door de Koninklijke

71