is toegevoegd aan je favorieten.

Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1244

BOETON.

land Moena (zie Dl. II), en de daarbij behoorende eilandjes, waarvan de voornaamste zijn Kleinen Oroot-Tobéa en de Tiworo-eilandjes; C. het eiland Kabaëna (zie Dl. II), waartoe behooren de eilandjes Telaga-besar, Telaga-ketjil, Damalawa, Labota, Baliara en enkele andere; D. de Toekangbesi-eilanden (zie DL IV), bestaande uit: 1. de Wangi wangi-groep, waarvan de voornaamste zijn Wangi-wangi en Kapotta; 2. de Kalidoepagroep bestaande uit Kalidoepa, Hoga, LintoeaTiwéloe- en Lintoea-Langgo; 3. de Tomiagroep, bestaande uit Tomia, Lintoa en enkele kleinere eilandjes; 4. het Binongko-eiland (zie DL I); E. de op den vasten wal van Celebes gelegen adatgemeenschappen Poléjang (zie Dl. III) en Roembia. De grenzen van deze laatstgenoemde districten met de onderafdeelingen Kolaka (afdeeling Loewoe) en Kendari werden in 1909 vastgesteld. Tusschen Kendari en Boeton loopt de grens van Lanawoeloe door het Watoe-Mohaigebergte naar den Kamberg in het Mendoké-gebergte, en tusschen Boeton en Kolaka van den Kamberg naar den begroeiden heuvel Poeoewatoe en vandaar langs de Towaririvier tot aan haar monding in de Golf van Boni. Daar de loop van de grenslijn Kamberg-Poeoewatoe niet voldoende is vastgelegd, ontstaan dikwijls geschillen over het bezit van zich daar bevindende damarboomen.

Het eiland Boeton is zeer geaccidenteerd en schijnt door koraalformatie te zijn ontstaan. Bij de mondingen der rivieren worden kleiachtige vlakten aangetroffen, waarvan de grootste zich bevindt aan de baai van Kalingsoesoe. Het gebergte heeft een noord-zuidelijke riohting en splitst zioh in de breedere gedeelten van het eiland. Naar de kust loopt het hoogland terrasgewijze vrij steil af; lage vlakke kuststrooken komen weinig voor.

Het eiland Moena is minder geaccidenteerd dan Boeton. Het Z.O.-lijk deel heeft heuvelland, met zeer scherpe karang-steenen. De hoogste top is de Kasteelberg. Het N.W.-lijk deel is vlakker en heeft kleigronden.

Van het eiland Kabaëna is het gedeelte ten Z. van de lijn Dongkala-Ketoea een onbewoond bergland, bedekt met oerwoud. Benoorden bedoelde lijn wordt het grootste gedeelte van het eiland ook ingenomen door bergland, waarin evenwel kleine hoogvlakten voorkomen, o.a. hij Tangkéno. Aan de kust heeft men in het O. bij Dongkala en Balo-balo, in het N. bij Pising, en in het W. bij Katoea, zoomede tegenover het eilandje Poeloe Baliara kleine vlakten. De hoogste bergtoppen van het eiland zijn de Batoe Sangia (1140 m.) enSangia Wita (± 1700 m.).

Het gebergte van Poléang en Boembia bestaat uit 2 ketens, van elkaar gescheiden door de N.-Z. loopende vallei der Poléangrivier. In het N. zijn beide ketens aan elkaar verbonden door een boogvormige reeks van grintheuvels. De oostelijke keten loopt in een richting N.W.-Z.O. tot aan zee en zet zioh voort over de eilanden Massalokka, Magenti en Galla naar Moena. De westelijke keten, het Mendoké-gebergte, vormt een plateau met lage toppen bezet, dat in het zuiden zijn grootste hoogte heeft en verder geleidelijk afloopt naar de vlakte aan de Towari-rivier. Het grootste deel van het district Boembia is een laagvlakte, doorsneden door de rivieren Langkawala, Limpopala en LoEha, welke in den re¬

gentijd geregeld het laagland onder water zetten. De Toekangbesi-eilanden, benevens de eilandjes om Boeton gelegen, bestaan hoofdzakelijk uit een koraalkalkformatie; zij steken meestal vrij hoog boven zee uit en zijn omringd door koraalbanken.

Het eiland Boeton met zijn vele kale koraalrotsen is geen onvruchtbaar oord. In de districten Kalingsoesoe, Wakaroemba, Lasalimoe en Boengi zijn uitgestrekte terreinen geschikt voor landbouw. In het Z. van het eiland vindt men hoofdzakelijk koraal; op en tusschen die rotsen komt een laag humusrijke aarde voor, waar de Boetonnees zijn maïs plant. In Pasar-Wadjo en Lasalimoe komt een soort roode aarde voor, welke men „tanah panas" noemt en alleen wordt beplant in bijzonder natte jaren.

De kusten. De O. kust van Boeton is van het noordelijkste punt tot aan de Kalingsoesoe-baai steil en vol riffen. De noordelijke helft van genoemde baai is ondiep, terwijl de zuidelijke helft veilig is voor groote schepen. Het groote schiereiland, eindigende in de oostkaap, heeft een steile, rotsachtige kust. In de baai van Takimpo en in de N.O.-lijke en Z.W.-lijke inhammen kunnen vrij groote stoomers ankeren. Aan de Z.kust daalt het gebergte steil en terrasvormig af. In de N. helft van de baai van Sampolawa bevindt zioh eene goede ankerplaats. De Z.-W.-kust is voor een deel laag met ver in zee uitstekende koraalbanken en voor een ander deel steil. Het vaarwater tusschen de Z.-W.-kust en de eilanden Siompoe en Kadatoea is voor paketbooten bij daglicht bruikbaar. Het vaarwater tusschen de Toekangbesi-eilanden zit vol riffen en is gevaarlijk. Ankerplaatsen zijn daar bij Wangi-Wangi en Binongko; verder tusschen de eilanden Kalidoepa en Hoga en ten Z.-W. van het eiland Tomia.

Wat Moena aangaat kan verwezen worden naar de bestaande zeekaarten. De ingesloten ligging van het eiland tusschen de hooge bergen van Boeton ter eene en van Kabaëna en Celebes ter andere zijde maakt, dat men steeds op een kalme zee daaromheen kan rekenen. Mocht Straat Boeton eens woelig zijn, dan heeft men in de baai van Lehia een veilige ligplaats, met een verbindingsweg naar het binnenland.

De N. kust van Kabaëna, beginnende bij Tandjoeng Mogina in het O. is steil; slechts in de baai van Pising heeft men een breede strandstrook. Westelijk van die baai wordt de kust wederom steil tot Tandjoeng Tolobéro, waar een moerassige, met bakau-bakau begroeide strook begint, die zich langs de geheele W. kust voortzet, alleen onderbroken bij Ketoea, waar de vlakte met kleigrond de kust bereikt. Aan de W. kust vindt men de baaien: van Padanggowa met Tandjoeng Labota en Malidjoe, van Torosana met Tandjoeng Toromelati en van Labangko. De Z. kust van het eiland ligt besloten tusschen de tandjoengs: Kokoi en Wamorapa, welke beide steil uit de zee oprijzen. De Z. en O. kust zijn rotsig en steil, behalve aan de baai van Tolitoli, waar een kleine vlakte voorkomt. In het N.O. heeft men nog de baai van Lingora. Voor de kust liggen op verschillende plaatsen koraalriffen. Bij Tandjoeng Pising begint een lang rif vlak aan de kust, buigt zich naar buiten langs de eilanden Bangko, Baliara en Mataha tot voorbij Sagori om van daar weer met een boog de kust te naderen. Bij de genoemde eilanden zijn door-